Uitspraak 200706883/1

Datum van uitspraak: woensdag 15 oktober 2008
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Limburg
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Algemene kamer - Milieu - Natuurbescherming
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2008:BF8948

200706883/1.
Datum uitspraak: 15 oktober 2008

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007, no. 2006/37819, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor een veehouderijbedrijf aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door
mr. G.H.J.M. in de Braek en A.M.A.G. Maessen, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster] daar gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan tegen een besluit geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij over het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging kennis van het ontwerp van het te nemen besluit in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.

2.2. [appellant] heeft geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Hij betoogt dat dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Daartoe wijst hij op het feit dat kennisgeving van dit ontwerpbesluit uitsluitend heeft plaatsgevonden in twee regionale kranten die alleen bij abonnees worden bezorgd, op zijn slechte fysieke gesteldheid gedurende de termijn waarbinnen zienswijzen konden worden ingediend, en op het langdurige karakter van de procedure. Verder voert hij aan dat eerst na afloop van de termijn voor het indienen van zienswijzen, met een uitspraak van de Afdeling duidelijk is geworden dat het college bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte rekening heeft gehouden met intrekking van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer van een nabijgelegen rundveehouderij, zodat hij niet eerder zijn zienswijze naar voren kon brengen.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat het bevoegd gezag op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb een zekere vrijheid heeft in de keuze van het blad of de bladen waarin een kennisgeving wordt geplaatst, en dat uit de bewoordingen van dat artikel niet volgt dat kennisgeving uitsluitend in bladen die alleen bij abonnees worden bezorgd daarmee in strijd zou zijn.

Niet in geschil is dat kennisgeving van de zakelijke inhoud van het ontwerp van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden in het Limburgs Dagblad en het Dagblad De Limburger, editie Noord-Limburg, van 13 juni 2007. Mede in aanmerking genomen dat, naar het college onweersproken heeft gesteld, het vast beleid is dat kennisgeving met betrekking tot besluiten van het college in deze twee dagbladen plaatsvindt, is naar het oordeel van de Afdeling daarmee genoegzaam voldaan aan de eisen van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. De door [appellant] aangevoerde overige omstandigheden geven geen grond voor het oordeel dat [appellant] van het niet indienen van zienswijzen redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Overigens is onbestreden dat kennisgeving eveneens heeft plaatsgevonden op de internetpagina van het provinciebestuur.

Voorts staat vast dat ook in het ontwerpbesluit al rekening was gehouden met de intrekking van de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer van de betrokken rundveehouderij, zodat daarin voor [appellant] geen beletsel lag om reeds op dat moment zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen.

2.4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Oudenaarden
is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat
te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2008

177-568.