Uitspraak 200602308/1

Datum van uitspraak: woensdag 1 november 2006
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Noorder-Koggenland
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Vee e.a. dieren
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1265

200602308/1.
Datum uitspraak: 1 november 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Noorder-Koggenland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een schapenhandel, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 april 2006.

Bij brief van 13 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door M. Groen en J.C. Neij, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder in persoon, bijgestaan door G. de Vries.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Dit artikel moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29421, nr. 3, blz. 5 e.v. en nr.11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over dat onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.

Aan een besluit inzake een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer ligt een aantal beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen, zoals geluidemissie en geuremissie, ten grondslag. Deze beslissingen kunnen naar het oordeel van de Afdeling als onderdelen in vorenbedoelde zin van dat besluit worden beschouwd. Gelet hierop en gezien de weergegeven uitleg van artikel 6:13, kunnen in beroep in beginsel slechts categorieën milieugevolgen aan de orde worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht.

Appellanten hebben tegen het ontwerpbesluit geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot lichthinder. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij over deze categorie milieugevolgen geen zienswijzen hebben ingebracht. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op lichthinder niet-ontvankelijk is.

2.2. Bij het bestreden besluit is krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor onder meer het houden van 700 schapen in verschillende stalgebouwen, het laden en lossen van schapen en voor het opslaan van kunstmest, kuilvoer, voer en dieselolie.

Voor de inrichting is eerder bij besluit van 27 december 1994 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend die eveneens onder meer betrekking heeft op het laden, lossen en houden van schapen. Ten opzichte van de onderliggende vergunning uit 1994 zijn bij het bestreden besluit diverse veranderingen van de inrichting vergund, zoals de realisering van een nieuwe schapenstal en een geheel nieuw bedrijfsgebouw waarin zich onder meer bevinden een veestalling, een wasplaats voor veetransportwagens, een mestkelder, een verlaadruimte, een werkplaats en een kantine. Verder worden twee stallen niet langer gebruikt voor het stallen van vee, is de opslagplaats voor vaste mest komen te vervallen, wordt de dieselolietank verplaatst, worden twee voersilo's bijgeplaatst en wordt een nieuw betonpad gerealiseerd ter ontsluiting van de inrichting.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunning ontleende niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.

2.4. Appellanten stellen dat moet worden gevreesd voor stankhinder vanwege de inrichting. Zij voeren aan dat reeds onder de onderliggende vergunning uit 1994 sprake was van een, wat stankhinder betreft, overbelaste situatie. De bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de stalruimte is niet toegestaan. Ook het permanent stallen van schapen is volgens hen niet toegestaan, nu in de onderliggende vergunning slechts het tijdelijk stallen is vergund. Appellanten voeren verder nog aan dat niet duidelijk is hoeveel schapen op grond van de onderliggende vergunning in de inrichting mogen worden gehouden.

2.4.1. Verweerder heeft voor de beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd.

2.4.2. Vast staat dat aan de op grond van de Richtlijn bij het aangevraagde veebestand minimaal aan te houden afstand tot de dichtstbijgelegen woningen van derden niet wordt voldaan.

Anders dan appellanten veronderstellen, blijkt uit het besluit van 27 december 1994 dat op grond daarvan in de inrichting maximaal 700 schapen mogen worden gehouden. Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand is niet groter dan het veebestand dat in 1994 is vergund. Verder was ook op grond van de onderliggende vergunning het permanent stallen van schapen toegestaan. Dat in de considerans van het besluit van 27 december 1994 is overwogen dat het gebruik van de stallen voor huisvesting van schapen niet permanent plaatsvindt en dat ook feitelijk niet permanent schapen zijn gehouden is, wat daarvan ook zij, in dit verband niet relevant. Verder stelt de Afdeling vast dat de afstanden tussen het relevante emissiepunt in de inrichting en de dichtstbijgelegen woningen toenemen. Vergunningverlening levert, gezien het vorenstaande, in zoverre geen strijd op met artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer. Dat ten opzichte van de onderliggende vergunning bij het bestreden besluit meer stalruimte is vergund, maakt dit niet anders. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de situatie uit een oogpunt van stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4 in samenhang met afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellanten voeren aan dat zij geluidhinder ondervinden vanwege de inrichting. Met name als gevolg van de vergunde uitbreiding van het aantal vervoersbewegingen op het terrein van de inrichting in de nachtperiode, zal de geluidhinder onaanvaardbaar toenemen.

2.5.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van geluidhinder veroorzaakt door het in werking zijn van de inrichting, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) toegepast.

In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - zoals het geval is in de gemeente Noorder-Koggenland - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een rustige woonwijk met weinig verkeer, waarvan in het onderhavige geval sprake is en welke kwalificatie van de omgeving door appellanten niet is bestreden, gelden als richtwaarden 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen.

In paragraaf 3.2 van de Handreiking worden voor het maximale geluidniveau grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode als ten hoogste aanvaardbaar aangemerkt. Voorts biedt paragraaf 3.2 van de Handreiking - voor zover hier van belang - de mogelijkheid om, in gevallen waarin niet aan deze grenswaarden kan worden voldaan in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode met ten hoogste 5 dB(A) te overschrijden. Deze uitzonderlijke situaties dienen in de vergunning te worden aangegeven.

2.5.2. Ingevolge voorschrift Q.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting te verrichten werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift Q.2 mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting te verrichten werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift Q.3 mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de nachtperiode vertrekkende of komende vrachtauto's in afwijking van voorschrift Q.2 op beoordelingspunt 3 (Westerstraat 65) niet meer bedragen dan 63 dB(A) in de periode tussen 02.00 en 07.00 uur.

2.5.3. De in voorschrift Q.1 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komen overeen met de voor de omgeving van de inrichting ingevolge de Handreiking geldende richtwaarden. Voorts zijn de in voorschrift Q.2 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau niet hoger dan de grenswaarden die in de Handreiking als ten hoogste aanvaardbaar zijn aangemerkt. In zoverre heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau toereikend zijn om geluidhinder van het in werking zijn van de inrichting te voorkomen, dan wel voldoende te beperken.

2.5.4. De in voorschrift Q.3 gestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau ter plaatse van beoordelingspunt 3 ([locatie]) gedurende een gedeelte van de nachtperiode (de periode tussen de 02.00 en 07.00 uur) veroorzaakt door vertrekkende of komende vrachtauto's, overschrijdt evenwel de grenswaarde van 60 dB(A) die in de Handreiking voor de nachtperiode als maximaal aanvaardbaar is aangemerkt met 3 dB(A).

Ter zitting is gebleken dat dit voorschrift aan de vergunning is verbonden uitsluitend met het oog op vertrekkende vrachtwagens die westwaarts uitrijden. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting kunnen de vertrekkende vrachtwagens echter niet alleen westwaarts, maar ook oostwaarts uitrijden, zodat moet worden vastgesteld dat er in zoverre geen sprake is van een onvermijdbare situatie die de overschrijding van de grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode met 3 dB(A) zou kunnen rechtvaardigen. In zoverre kan de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig en de daarin neergelegde motivering niet toereikend worden geacht. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het voorschrift Q.3 betreft.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het lichthinder betreft;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noorder-Koggenland van 14 februari 2006, voor zover het voorschrift Q.3 betreft;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noorder-Koggenland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Noorder-Koggenland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Noorder-Koggenland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Timmerman
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006

431