Uitspraak 200404626/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AR5272
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 november 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] alias [naam persoon] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200404626/1.
Datum uitspraak: 20 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 6 april 2004 in het geding tussen:
[de vreemdeling] alias [naam persoon]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] alias [naam persoon] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 6 april 2004, verzonden op 7 mei 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, (hierna: de voorzieningenrechter) - voorzover thans van belang - het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 juni 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 2 en 3 klaagt de minister - samengevat weergegeven - dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen toepassing mocht geven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.1.1. Deze grieven slagen. Op 15 mei 2003 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke aanvraag bij besluit van 29 augustus 2003 is afgewezen. Weliswaar heeft de vreemdeling tegen dit besluit beroep ingesteld, maar dat laat onverlet dat zijn nadien op 18 september 2003 ingediende en bij besluit van 2 november 2003 afgewezen aanvraag, welke evenzeer strekte tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb moet worden beschouwd. Dat de toenmalige gemachtigde van de vreemdeling het tegen het besluit van 29 augustus 2003 ingestelde beroep op 2 oktober 2003 heeft ingetrokken vanuit de gedachte dat het belang daaraan was ontvallen, heeft voor dit oordeel geen betekenis. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, kan de intrekking van het eerdere beroep de minister niet worden verweten, te minder nu de vreemdeling Nederland na het eerste afwijzende besluit niet vrijwillig of met onbekende bestemming heeft verlaten en er derhalve geen grond was om aan te nemen dat zijn belang bij beoordeling van het tegen dit besluit ingestelde beroep was vervallen. De gevolgen van de intrekking van het beroep dienen dan ook voor risico van de vreemdeling te blijven.
2.1.2. Aangezien ten tijde van de procedure in rechte tegen het besluit op de aanvraag van 18 september 2003, het tegen het besluit op de eerdere aanvraag ingediende beroep was ingetrokken en dat besluit derhalve in rechte onaantastbaar is geworden, had de voorzieningenrechter, ter bepaling van zijn bevoegdheid om een oordeel te geven over het besluit op de aanvraag van 18 september 2003, direct moeten treden in de vraag of aan deze aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.
2.1.3. Hetgeen door de vreemdeling aan de aanvraag van 18 september 2003 ten grondslag is gelegd - te weten dat in een rapport van een verrichte taalanalyse wordt geconcludeerd dat de vreemdeling waarschijnlijk is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi - kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu op voorhand is uitgesloten dat dit kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit en de overwegingen waarop dat rust, in het bijzonder de overwegingen dat de vreemdeling toerekenbaar niet over reis-, nationaliteits- en identiteitspapieren beschikt en zijn asielrelaas, ongeacht de twijfel over zijn nationaliteit, geloofwaardigheid ontbeert.
2.1.4. De slotsom is dat de voorzieningenrechter een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd en ten onrechte niet heeft overwogen dat de vreemdeling aan de aanvraag van 18 september 2003 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het bij haar ingestelde beroep alsnog ongegrond worden verklaard.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 6 april 2004 in zaak nr. AWB 03/57617;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Schuurman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op20 oktober 2004
282.