Uitspraak 200410424/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT6719
- Datum uitspraak
- 12 mei 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200410424/1.
Datum uitspraak: 12 mei 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/51797 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 24 november 2004 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 3 juli 2003 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en, voorzover thans van belang, dat besluit vernietigd en appellant (hierna: de minister) opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 1 september 2003 heeft de minister de aanvraag opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 november 2004, verzonden op 25 november 2004, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en, voorzover thans van belang, dat besluit vernietigd en de minister opnieuw opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen, thans met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 januari 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.
2.2. In paragraaf C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is vermeld dat voor de toepassing van deze bepaling in de eerste plaats gedacht wordt aan de situatie dat de vreemdeling getraumatiseerd is. Als de traumatiserende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden door toedoen van de centrale overheid, is geen plaats voor het tegenwerpen van een binnenlands vestigingsalternatief. Dit gebeurt wel, als de omvang van het land groot is, de feitelijke, regionale, machthebbers of politieke militante groeperingen die de gebeurtenissen hebben veroorzaakt in andere delen van het land geen macht uitoefenen en de centrale overheid bescherming kan en wil bieden, aldus de passage.
2.3. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar uitspraak van 3 juli 2003 (registratienummer Awb 02/27358) geen ruimte laat om bij de hernieuwde beoordeling van de aanspraak van de vreemdeling op verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van voormelde bepaling haar een binnenlands vestigingsalternatief tegen te werpen en voorts dat zij, door te overwegen dat hij zich ook niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een vestigingsalternatief voorhanden is, heeft miskend dat hij bij toepassing van die bepaling beoordelingsruimte heeft en hij, gelet op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 oktober 2002 met betrekking tot de situatie in Guinee, het standpunt kon innemen dat een vestigingsalternatief aanwezig is.
2.3.1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 juli 2003, voorzover thans van belang, overwogen dat het besluit van de minister van 8 maart 2002, voorzover strekkende tot afwijzing van de aanspraak van de vreemdeling op verlening van een verblijfsvergunning op de voet van voormelde bepaling, onvoldoende is gemotiveerd en zij heeft dat besluit deswege vernietigd. Deze uitspraak laat onverlet dat de minister, met inachtneming van alle op dat moment relevante feiten en omstandigheden en rekening houdend met het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek, bij de motivering van het nieuw te nemen besluit argumenten kon betrekken die niet aan het eerdere besluit ten grondslag zijn gelegd. In hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd is geen grond te vinden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid, onder verwijzing naar het ambtsbericht van 17 oktober 2002, op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de centrale overheid buiten het grensgebied geen bescherming tegen de rebellen kan en wil bieden, de vreemdeling zich derhalve aan de rebellen kan onttrekken door zich buiten dat gebied te vestigen en zij mitsdien niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000.
De grieven slagen.
2.4. De grieven 3 en 4 missen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve geen bespreking.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de in beroep aangevoerde gronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep tegen het besluit van de minister van 1 september 2003 alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 24 november 2004 in zaak no. AWB 03/51797;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Beerse
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005
382.