Uitspraak 200504488/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU4349
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij onderscheiden besluiten van 30 januari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200504488/1.
Datum uitspraak: 4 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [vreemdeling 1],
2. [vreemdeling 2],
3. [vreemdeling 3],
4. [vreemdeling 4],
5. [vreemdeling 5], en
6. [vreemdeling 6],
appellanten,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 03/24341, 03/24344, 03/24346, 03/24355, 03/24359, 03/34238, 03/24351, 03/24331, 03/24347, 03/24324 en 03/24354 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 april 2005 in de gedingen tussen:
appellanten
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 30 januari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij onderscheiden besluiten van 25 maart 2003 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 27 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, voorzover thans van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 juni 2005 heeft de minister een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door F. Morina, als tolk, en mr. E. Maalsen, advocaat te Uden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), indien het een vreemdeling betreft, voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen.
Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt. Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de hardheidsclausule (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) blijkt dat de daarin neergelegde bevoegdheid van de minister bedoeld is als discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien. Voorts wordt volgens die passage een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gehonoreerd.
2.2. Volgens paragraaf B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) wordt voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde vrijstelling onderzocht of de desbetreffende vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen mvv-aanvraag af te wachten.
Volgens paragraaf B1/2.2.1 van de Vc 2000, voorzover thans van belang, is in ieder geval geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval dat tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding geeft, indien de desbetreffende vreemdeling stelt dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer, teneinde een mvv te verkrijgen, naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie. Volgens paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000 wordt de hardheidsclausule, toegepast, indien wordt voldaan aan de vereisten voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "vanwege medische noodsituatie". Bij de beoordeling van zodanige vergunningaanvraag worden volgens paragraaf B8/4 van de Vc 2000 de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland niet betrokken.
2.3. In de eerste grief klagen appellanten dat de rechtbank de door hen in beroep bij brieven van 29 april 2003, 13 januari en 14 en 18 februari 2005 overgelegde medische stukken en verklaringen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
2.3.1. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen vóór de zitting nadere stukken indienen. Onder nadere stukken in de zin van deze bepaling moeten worden begrepen stukken ter nadere toelichting van de voorgedragen beroepsgronden. De hiervoor bedoelde stukken zijn als zodanig aan te merken, voorzover die strekken ter toelichting van de stelling dat voor de posttraumatische stress-stoornis, waaraan appellanten sub 1 tot en met 3 lijden, in Kosovo geen medische behandeling kan worden verkregen.
De grief leidt evenwel niet tot het ermee beoogde doel. Nog daargelaten de vraag of een aantal van de overgelegde stukken niet reeds in bezwaar had kunnen en derhalve moeten worden overgelegd, biedt de inhoud van die stukken geen concreet aanknopingpunt voor het oordeel dat in Kosovo behandeling van een posttraumatische stress-stoornis, als waaraan appellanten sub 1 tot en met 3 lijden en in verband waarmee zij verlening van een verblijfsvergunning regulier voor het ondergaan van medische behandeling hebben aangevraagd, niet beschikbaar is en terugkeer naar het land van herkomst zal leiden tot een medische noodsituatie in de zin van vorenbedoeld gevoerd beleid.
2.3.2. Voorzover appellanten tevens beoogd hebben te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij in feite geen toegang tot de voor hen noodzakelijke medische voorzieningen kunnen krijgen, slaagt dit betoog evenmin, nu bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een medische noodsituatie, in verband waarmee het niet voldoen aan het mvv-vereiste aan de vreemdelingen niet wordt tegengeworpen, volgens het gevoerde beleid, zoals vermeld in paragraaf B1/1.2.1 en B8/4 van de Vc 2000 en thans in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/40, omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen niet in de beoordeling worden betrokken.
2.3.3. Grief 1 faalt.
2.4. De grieven 2 en 3 hebben geen zelfstandige betekenis.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Bakker
Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2005
393.