Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200305973/1

Uitspraak 200305973/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AO1378
Datum uitspraak
15 december 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200305973/1.
Datum uitspraak: 15 december 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 augustus 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 september 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 september 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift, in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter.

Ingevolge het tweede lid omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak, waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden, waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.1.1. Hetgeen in het hoger-beroepschrift als grief 4 is aangevoerd, omschrijft niet de gronden, waarop appellante zich niet kan verenigen met het door haar aangewezen onderdeel van de aangevallen uitspraak. Derhalve is geen sprake van een grief in de zin van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Het aldus aangevoerde kan daarom niet leiden tot gegrondbevinding van het hoger beroep.

2.2. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten, totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

2.3. De staatssecretaris pleegt blijkens paragraaf C1/5.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) een asielaanvraag met toepassing van deze bepaling af te wijzen, indien:

- de asielzoeker niet rechtstreeks naar Nederland is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement; en

- hij naar het oordeel van de staatssecretaris in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en

- gebleken is dat dit land hem zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

Indien is vastgesteld dat er sprake is van een land van eerder verblijf, dient te worden vastgesteld of dit land van eerder verblijf duurzame bescherming tegen refoulement biedt. De asielzoeker heeft volgens dit beleid in het land van eerder verblijf onder meer duurzame bescherming, indien het land van eerder verblijf partij is bij het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: het Vluchtelingenverdrag) en dit verdrag te goeder trouw naleeft. In dat geval is het niet nodig dat de asielzoeker beschikt over een verblijfstitel voor dat land van eerder verblijf. Voldoende is dat hij toegang krijgt tot het grondgebied van dit land. Daarvan moet blijken uit een schriftelijk bericht van de autoriteiten van dat land. Dit bericht behoeft niet te worden opgevraagd indien uit algemene informatie of uit andere bronnen reeds blijkt dat de vreemdeling zijn verblijf in het land van eerder verblijf zal kunnen voortzetten, aldus deze passage.

2.4. In de grieven 1, 2 en 7 klaagt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000, bedoelde omstandigheid op zichzelf niet voldoende is om de asielaanvraag af te wijzen. De rechtbank is dan ook ten onrechte niet toegekomen aan een beoordeling van de weigering om aan haar op de voet van artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel te verlenen, aldus appellante.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 maart 2003, in zaak nr. 200300008/1, JV 2003/180), dient de rechtbank, voorzover in geschil, gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden eerst te beoordelen of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel of hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, onder b omschreven risico loopt. Indien het een noch het ander het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld, of de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas geen grond geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op de voet van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, onder c en d van de Vw 2000.

Deze wijze van toetsing lijdt uitzondering, indien het bestreden besluit er toe strekt dat de vreemdeling op grond van artikel 30, aanhef en onder a of d van de Vw 2000 aan een ander land zal worden overgedragen, dan wel dat de vreemdeling op één van de gronden genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i of j geacht wordt in een ander land bescherming te kunnen vinden. Alsdan kan de aanvraag worden afgewezen zonder dat wordt beoordeeld of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, onder b omschreven risico loopt, dan wel op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst.

Hetgeen appellant in de grieven heeft aangevoerd doet aan het vorenstaande niet af. De grieven falen.

2.5. In het tweede onderdeel van grief 3 klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de staatssecretaris dat zij in Armenië zal worden toegelaten en dit land haar duurzame bescherming zal bieden tegen refoulement niet integraal heeft getoetst.

In het derde onderdeel van grief 3 klaagt zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft bestreden dat Armenië het Vluchtelingenverdrag te goeder trouw naleeft. Zij heeft uitvoerig betoogd dat ze de Armeense nationaliteit niet kan krijgen, geen toegang tot Armenië heeft en daar geen, althans onvoldoende bescherming kan krijgen, aldus appellante.

2.5.1. Deze onderdelen van de grief leiden evenmin tot het daarmee beoogde doel. Niet in geschil is dat Armenië partij is bij het Vluchtelingenverdrag. In het bij de rechtbank bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat Armenië het Vluchtelingenverdrag te goeder trouw naleeft, appellante in Armenië zal worden toegelaten en derhalve kan worden aangenomen dat Armenië haar duurzame bescherming tegen refoulement zal bieden totdat zij elders bescherming zal hebben gevonden. De staatssecretaris heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante, volgens het rapport van nader gehoor, afgenomen 13 juli 2001, heeft verklaard dat zij op 7 december 1988 vanuit Azerbeidzjan naar Armenië is gevlucht en bij aankomst aldaar werd geregistreerd. Voorts heeft de staatssecretaris bij het besluit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 15 augustus 2001 inzake de situatie in Armenië (hierna: het ambtsbericht) betrokken. Blijkens paragraaf 3.4.3. van dit ambtsbericht werden etnisch Armeense vluchtelingen tussen 1988 en 1992 door de Armeense autoriteiten geregistreerd als prima facie vluchtelingen. Hierbij werd soepel omgegaan met de vigerende procedures. Etnische Armeniërs die Azerbeidzjan in het verleden zijn ontvlucht en nu permanent in Armenië staan geregistreerd hoeven slechts een verzoekschrift in te dienen, waarna zij na korte tijd het Armeense staatsburgerschap kunnen verkrijgen, aldus het ambtsbericht.

Gelet hierop, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat Armenië het Vluchtelingenverdrag te goeder trouw naleeft en dat appellante aldaar zal worden toegelaten. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat aangenomen kan worden dat Armenië appellante duurzame bescherming zal bieden tegen refoulement totdat zij elders bescherming zal hebben gevonden.

De bij het hoger-beroepschrift overgelegde verklaring van de Armeense ambassade kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat artikel 85 van de Vw 2000 zich daartegen verzet, nu deze verklaring van later datum is dan de aangevallen uitspraak en de rechtbank deze verklaring niet bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit heeft kunnen betrekken.

2.6. In het eerste onderdeel van grief 5 klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij met de staatssecretaris van oordeel is dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de door haar gestelde discriminatie in Armenië en de door haar gestelde moord op haar broer feiten en omstandigheden zijn gelegen die aan haar terugkeer naar Armenië in de weg staan. Appellante betoogt dat zij in Armenië gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, omdat voor haar het leven persoonlijk in Armenië als gevolg van jarenlange discriminatie onhoudbaar is geworden, zodat haar gedwongen terugzending naar Armenië in strijd is met het Vluchtelingenverdrag.

2.6.1. Dit onderdeel van de grief faalt. Niet in geschil is dat appellante van Azerbeidzjaanse nationaliteit is. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ziet, evenals artikel 1 (A), onder 2 van het Vluchtelingenverdrag, alleen op personen die zich uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van deze bepalingen bevinden buiten het land, waarvan zij de nationaliteit hebben en die de bescherming van dat land niet kunnen of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet willen inroepen. Derhalve is ten aanzien van appellante, die niet de nationaliteit van Armenië heeft, maar van Azerbeidzjaanse nationaliteit is, geen sprake van vluchtelingenschap in de zin van het Verdrag.

2.7. In grief 5 klaagt appellante voor het overige dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft aangenomen dat sprake is van andere klemmende redenen van humanitaire aard, dan bedoeld in het traumatabeleid, op grond waarvan in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar Armenië.

2.7.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.7.2. Volgens paragraaf C1/4.2.4 van de Vc 2000 verstaat de staatssecretaris onder land van herkomst het land, waarvan de desbetreffende vreemdeling de nationaliteit heeft. Niet in geschil is dat appellante van Azerbeidzjaanse nationaliteit is. Reeds hierom kan het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet slagen.

2.8. Hetgeen voor het overige naar voren is gebracht, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

De bij het hoger-beroepschrift overgelegde brief van een psychiater kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat deze brief van latere datum is dan de aangevallen uitspraak en de rechtbank deze brief dan ook niet bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit heeft kunnen betrekken.

2.9. De grieven 11, 12 en 13 hebben geen zelfstandige betekenis.

2.10. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2003

273-435.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon