Uitspraak 201304934/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:2600
- Datum uitspraak
- 16 juli 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 19 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het door het OM niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: het Wob-verzoek) niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
201304934/1/A3.
Datum uitspraak: 16 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2013 in zaak nr. 13/15 in het geding tussen:
[appellant]
en
Openbaar Ministerie, ressortsparket ’s-Hertogenbosch (hierna: het OM).
Procesverloop
Bij uitspraak van 19 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het door het OM niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: het Wob-verzoek) niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het OM heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 13 december 2013 heeft het OM het Wob-verzoek afgewezen.
[appellant] en het OM hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2014, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
1. Het OM heeft bij besluit van 13 december 2013 alsnog een besluit genomen op het Wob-verzoek van [appellant]. Voorts heeft het OM bij besluit van 14 april 2014 een dwangsombesluit in de zin van artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genomen en daarin de maximaal te verbeuren dwangsom van € 1.260,00 aan [appellant] toegekend.
Hieruit volgt dat [appellant] reeds heeft bereikt hetgeen hij met het instellen van het hoger beroep heeft beoogd. Nu [appellant] ter zitting van de Afdeling ook heeft verklaard dat zijn belang in de onderhavige procedure uitsluitend nog is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding voor de gemaakte kosten, ziet de Afdeling aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, wordt het hoger beroep van [appellant] geacht mede een beroep tegen het besluit van 13 december 2013 in te houden, nu met dat besluit niet geheel aan [appellant] tegemoet is gekomen. Dit van rechtswege ontstane beroep moet echter geacht worden te zijn ingetrokken, nu [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft verklaard dat zijn belang in de onderhavige procedure niet is gelegen in een inhoudelijke beoordeling van voormeld besluit.
4. De Afdeling ziet geen aanleiding om het OM te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van de Afdeling, nu deze kosten reeds voor vergoeding in aanmerking komen op grond van de uitspraak van heden in zaak nr. 201304936/1/A3, welke zaak gelijktijdig ter zitting van de Afdeling is behandeld. Nu [appellant] door toedoen van het OM geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep, ziet de Afdeling wel aanleiding om het OM op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te gelasten het door [appellant] betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. gelast dat het Openbaar Ministerie, ressortsparket ’s-Hertogenbosch, aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vreken-Westra
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014
434-773.