Uitspraak 201310138/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:4800
- Datum uitspraak
- 10 juli 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2014, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. Th.G. Drupsteen, belast met de behandeling van de zaak nr. 201310138/1A2.
- Wraking
- Schadevergoeding
Toon inhoud
201310138/2/A2.
Datum beslissing: 10 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Procesverloop
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2014, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. Th.G. Drupsteen, belast met de behandeling van de zaak nr. 201310138/1A2.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft op 9 juli 2014 het wrakingsverzoek ter zitting aan de orde gesteld, waar [verzoeker] niet is verschenen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. [verzoeker] heeft als grond voor wraking - kort samengevat - aangevoerd dat de staatsraad zich tijdens de behandeling van de hoofdzaak ter zitting onvoldoende liet informeren en niet goed was voorbereid. Hierdoor was de staatsraad niet onbevooroordeeld en niet objectief. [verzoeker] meent door deze handelwijze in een benadeelde positie te zijn geraakt.
3. De hoofdzaak is ter zitting behandeld op 19 juni 2014. Nu [verzoeker] zijn verzoek om wraking eerst op 1 juli 2014 heeft ingediend, is dat verzoek niet gedaan zodra de feiten en omstandigheden die hij daaraan ten grondslag heeft gelegd, hem redelijkerwijs bekend konden zijn. Niet is gebleken dat [verzoeker] niet eerder om wraking had kunnen verzoeken. Hij heeft aldus niet voldaan aan het gestelde in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb, met welke bepaling wordt beoogd te voorkomen dat door de indiening van een verzoek om wraking de goede voortgang van de procedure onredelijk wordt vertraagd.
4. Reeds gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Nell
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2014
597.