Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201311416/1/V4

Uitspraak 201311416/1/V4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:4803
Datum uitspraak
6 juni 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Andere zaken - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201311416/1/V4.
Datum uitspraak: 6 juni 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 november 2013 in zaak nr. 13/8686 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen de vreemdeling en de referent geen sprake is van een deugdelijk bewezen relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van de het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat van partners in een relatie mag worden verwacht dat zij over kennis van elkaars verleden, familie, interesses en dagelijkse bezigheden beschikken, nu die aspecten zien op de kern van een relatie. De daarover door de vreemdeling en de referent afgelegde tegenstrijdige verklaringen komen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in een ander licht te staan door de op andere punten wel gelijkluidende verklaringen en de aangevoerde omstandigheden dat de referent geen interesse heeft in het verleden van de vreemdeling, geen prater is en voor zijn werk veel van huis is, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.

2.2. In het besluit van 6 maart 2013 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat tussen de vreemdeling en de referent sprake is van een deugdelijk bewezen relatie, gelet op hun vage en tegenstrijdige verklaringen tijdens het gehoor van 15 februari 2013. De staatssecretaris heeft daartoe overwogen dat uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de referent heeft verklaard dat hij weinig tot niets weet van het verleden van de vreemdeling, haar familie, haar interesses en haar dagelijkse bezigheden en dat hij daar evenmin naar heeft gevraagd. Ook de vreemdeling heeft vage verklaringen afgelegd over die onderwerpen met betrekking tot de referent, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris acht dit bevreemdend nu de vreemdeling en de referent elkaar, naar zij stellen, sinds 2011 kennen en vanaf 30 maart 2012 samenwonen. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat de referent heeft verklaard dat de vreemdeling weet dat hij twee zoons heeft maar dat zij hun namen niet weet, terwijl de vreemdeling heeft verklaard dat de referent één kind heeft. De staatssecretaris acht het opmerkelijk dat de referent heeft verklaard niet te weten of de vreemdeling kinderen heeft. Daarnaast is de verklaring van de referent dat de vreemdeling wekelijks met zijn zus belt, strijdig met de verklaring van de vreemdeling dat zij geen enkel contact heeft met de familie van de referent, aldus de staatssecretaris. Verder strookt de verklaring van de vreemdeling dat de referent tijdens de kerst in Zwitserland een ziek familielid heeft bezocht volgens de staatssecretaris niet met de verklaring van de referent dat hij in Zwitserland geen familie heeft en daar was voor de omgeving.

2.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen de vreemdeling en de referent geen sprake is van een deugdelijk bewezen relatie, aangezien zij op diverse punten vage en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Van partners in een relatie mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij op punten zoals weergegeven onder 2.2, die betrekking hebben op essentiële aspecten van een relatie, gelijkluidend verklaren. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kunnen de omstandigheden, naar de vreemdeling stelt, dat de referent geen interesse heeft in haar verleden, geen prater is en voor zijn werk veel van huis is, gezien hun strekking, de tegenstrijdigheden niet verklaren. Dat de vreemdeling en de referent op andere punten wel gelijkluidende verklaringen hebben afgelegd, maakt het vorenstaande niet anders. Ook het door de vreemdeling in hoger beroep ingediende verweerschrift biedt geen aanknopingspunten om tot een andersluidend oordeel over de relatie te komen.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 maart 2013 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

3. Het inleidende beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 november 2013 in zaak nr. 13/8686;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bechinka
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2014

371-775.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon