Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201309769/1/A2

Uitspraak 201309769/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:1764
Datum uitspraak
14 mei 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 december 2012 heeft de Belastingdienst de aanvraag van [appellante] om kindgebonden budget afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201309769/1/A2.
Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede namens haar minderjarige kind, wonend te Groningen,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 10 september 2013 in zaak nr. 13/621 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2012 heeft de Belastingdienst de aanvraag van [appellante] om kindgebonden budget afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2013, aangevuld bij besluit van 8 juni 2013, heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan haar een voorschot kindgebonden budget over het jaar 2012 verleend.

Bij uitspraak van 10 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. Cakici-Reinders, advocaat te Haarlem, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft op 2 september 2012 een aanvraag om kindgebonden budget ingediend. Bij besluit van 3 juni 2013, aangevuld bij besluit van 8 juni 2013, heeft de Belastingdienst aan haar over het jaar 2012 een voorschot kindgebonden budget van € 1017,00 verleend.

Over het jaar 2011 heeft de Belastingdienst bij besluit van 3 oktober 2013 een voorschot kindgebonden budget van € 1011,00 verleend.

2. Niet in geschil is dat aan [appellante] met ingang van 18 maart 2010 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verstrekt. Tussen partijen is in geschil of de Belastingdienst vanaf voornoemde datum een voorschot kindgebonden budget had moeten toekennen.

3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst terecht naar aanleiding van haar aanvraag van 2 september 2012 eerst vanaf 1 januari 2011 kindgebonden budget heeft toegekend.

Ter zitting is gebleken dat met betrekking tot het kindgebonden budget over het toeslagjaar 2010 een afzonderlijke aanvraag is ingediend, die bij besluit van 26 november 2013 is afgewezen en dat dienaangaande een separate procedure aanhangig is. In het licht hiervan heeft de Belastingdienst zich bij de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat in het besluit van 28 december 2012, als gehandhaafd in het besluit 3 juni 2013, geen beslissing omtrent eventuele aanspraken voor het jaar 2010 hoefde te worden genomen. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geen aanleiding gezien voor gegrondverklaring van het beroep.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor zover [appellante] heeft verzocht om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, dient dit verzoek te worden afgewezen, reeds omdat het hoger beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Dokkum
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

480-705.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon