Uitspraak 201305463/1/V2 en 201401706/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:1542
- Datum uitspraak
- 23 april 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201305463/1/V2 en 201401706/1/V1.
Datum uitspraak: 23 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 mei 2013 in zaak nr. 10/33676 onderscheidenlijk de rechtbank Den Haag van 29 januari 2014 in zaak nr. 13/20388 in de gedingen tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld, geregistreerd onder zaak nr. 201305463/1/V2. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Bij besluit van 17 juli 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld, geregistreerd onder zaak nr. 201401706/1/V1. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
In zaak nr. 201305463/1/V2
2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.
2.1. Het inreisverbod van 17 juli 2013 heeft de rechtsgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling derhalve geen belang heeft bij beoordeling van het hoger beroep.
2.2. Hetgeen de vreemdeling aanvoert over de afwijzing van haar aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van de grieven over het inreisverbod.
3. Het hoger beroep in zaak nr. 201305463/1/V2 is kennelijk niet-ontvankelijk.
In zaak nr. 201401706/1/V1
4. De grieven over het inreisverbod kunnen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
5. Het hoger beroep in zaak nr. 201401706/1/V1 is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
In beide zaken
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201305463/1/V2 niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2014 in zaak nr. 13/20388.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014
620-760.