Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200509153/1

Uitspraak 200509153/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AU8007
Datum uitspraak
9 december 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 september 2005 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200509153/1.
Datum uitspraak: 9 december 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/46792 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 2 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2005 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 november 2005, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) te kennen gegeven geen reactie in te zullen dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat hem niet de twee weken termijn, bedoeld in paragraaf B10/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), is gegeven om zijn nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie (hierna: de EU) aan te tonen en dat inbewaringstelling wegens het niet aantonen van de hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan onevenredig is. Daartoe verwijst hij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het EG-Hof) van 17 februari 2005 in zaak C-215/03 (Oulane, JV 2005/148).

2.2. Volgens paragraaf B10/2.4 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dienen EU-onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen, dan wel op andere wijze hun identiteit en nationaliteit aan te tonen om met succes een beroep te kunnen doen op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag). De vreemdeling, die in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag, maar een geldige identiteitskaart of geldig paspoort heeft overgelegd, noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken, aldus de passage.

2.3. Appellant is eerder bij besluit van 26 augustus 2005 in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 14 september 2005 in zaak no. AWB 05/38656, heeft de rechtbank in het tegen dat besluit ingestelde beroep overwogen dat appellant geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart ten bewijze van de door hem gestelde hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan heeft overgelegd en die hoedanigheid ook niet met andere middelen heeft aangetoond. Daarbij heeft de rechtbank mede betrokken dat de in beslag genomen Italiaanse 'carta d'identita', waarvan appellant zich bediende, bij vonnis van de politierechter van 18 mei 2005 aan het verkeer onttrokken is.

Op 16 september 2005 is die bewaring opgeheven en is appellant aansluitend daarop strafrechtelijk gedetineerd. Deze detentie is op 22 september 2005 geëindigd, waarop appellant aansluitend opnieuw in vreemdelingenbewaring is gesteld. Bij gelegenheid van het daaraan voorafgegane gehoor heeft appellant blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, verklaard:

"Jullie weten toch dat ik uit Italië kom. Ik kan dit inderdaad niet aantonen met wat voor documenten dan ook. Maar ik vind dat jullie dat maar moeten uitzoeken.

Jullie houden mij vast en jullie zijn toch de politie. Als u zegt dat er behoorlijk wat twijfels zijn over de door mij opgegeven nationaliteit en identiteit, dan kan ik u vertellen dat ik niet heb gelogen over mijn naam en nationaliteit.

U vraagt mij hoe ik kan verklaren dat naar aanleiding van onderzoek met behulp van bij mij afgenomen vingerafdrukken is gebleken dat ik al in 2001 in Nederland bekend ben onder een alias, en ook de Arabische taal spreek? Dit is een grove fout. Verder heb ik daar niets op te zeggen."

2.4. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant bij zijn inbewaringstelling op 22 september 2005 de door hem gestelde hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan niet heeft aangetoond. Gezien de voorgeschiedenis, waaronder de voormelde door appellant op 21 september 2005 afgelegde verklaring, kon worden aangenomen dat appellant niet van plan was bewijs van de door hem gestelde identiteit en nationaliteit te leveren. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister appellant ten onrechte niet alsnog in de gelegenheid heeft gesteld zodanig bewijs over te leggen. Reeds daarom treft het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de inbewaringstelling in strijd is met voormeld arrest van het EG-Hof en paragraaf B10/2.4 van de Vc 2000 geen doel. De grieven falen.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Roosmalen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005

53-474.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon