Uitspraak 201307730/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:4806
- Datum uitspraak
- 23 april 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerkrade Zuid" vastgesteld.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Limburg
Toon inhoud
201307730/1/R1.
Datum uitspraak: 23 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Kerkrade,
appellant,
en
de raad van de gemeente Kerkrade,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerkrade Zuid" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.B.M. Vondenhoff, advocaat te Heerlen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.A.A. Thijssen, werkzaam bij Tonnaer adviseurs in omgevingsrecht, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de buurten Nulland en Bleijerheide in het zuidoostelijk deel van Kerkrade.
3. [appellant] komt in beroep op tegen het plan voor zover dat ziet op zijn perceel [locatie 1]. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het bouwen van vijf woningen op dat perceel. Hij wijst daarbij op de door de gemeente geïnitieerde verplaatsing van zijn bedrijf Juvaco B.V. binnen de gemeente Kerkrade en de voorwaarden die [appellant] daaraan heeft gesteld. Een van de overeengekomen varianten is dat [appellant] het perceel [locatie 1] zou aankopen en na sloop en sanering vijf vrijstaande woningen zou bouwen. Het niet nakomen van een ter zake van de bouw van vijf woningen gedane toezegging is in strijd met het vertrouwensbeginsel, aldus [appellant].
3.1. De raad stelt dat vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de verplaatsing van het bedrijf van [appellant] wenselijk was. De gesprekken hebben geresulteerd in de koopovereenkomst van 19 april 2002. Het plan voorziet als gevolg van deze overeenkomst in twee bouwtitels voor het perceel [locatie 2]. Daarnaast zijn in het plan slechts ontwikkelingen opgenomen die ten tijde van vaststelling van het plan voldoende concreet waren uitgewerkt door middel van onderzoeken en voorzien van een onderbouwing van de economische uitvoerbaarheid, aldus de raad. [appellant] heeft niet eerder een verzoek gedaan tot het verkrijgen van de mogelijkheid tot het realiseren van vijf woningen. De raad heeft derhalve geen aanleiding gezien om in het plan deze mogelijkheid op te nemen.
3.2. Blijkens de verbeelding voorziet het plan voor het perceel [locatie 1] in de bestemming "Wonen" en (gedeelten van) vier bouwvlakken. Twee van deze bouwvlakken liggen deels tevens op het perceel [locatie 2]. Voor één van de andere bouwvlakken geldt de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1".
Ingevolge artikel 13, lid 13.1, onder a, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor wonen, met de daarbij behorende voorzieningen […].
Ingevolge lid 13.2.1, onder a, mogen woningen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak".
Ingevolge het lid, onder c, mag ter plaatse van de aanduiding
"wro-zone - wijzigingsgebied 1" een eengezinswoning worden gebouwd […].
3.3. In paragraaf 3.3.1 en 3.4.4 van de plantoelichting staat dat de stadsregio Parkstad Limburg, waarin het plangebied gelegen is, te maken heeft met een significante afname van de bevolking, wijziging van de bevolkingssamenstelling en een huishoudendaling. Parkstad Limburg heeft op diverse thema’s beleid geformuleerd om te kunnen anticiperen op deze bevolkingskrimp. Voor het thema "wonen" is onder meer de Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad 2008-2020 opgesteld. Een afname van de bevolking en huishoudens betekent een afname van de vraag naar woningen. Dit leidt vervolgens tot een overschot van woningen en woningbouwcapaciteit. Het beleid is dan ook gericht op het in evenwicht brengen van vraag en aanbod van woningen en een kwalitatieve verbetering van de regionale woningvoorraad. De aandacht zal daarbij vooral moeten uitgaan naar het verkleinen en veranderen van de woningvoorraad, en wel door het matigen en aanpassen van nieuwbouw en het stimuleren van sloop en herstructurering. Gezien de bevolkings- en huishoudensprognoses lijkt deze transformatieopgave structureel. Vigerende bestemmingen voor woningbouw, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen dan wel past binnen de regionale afsprakenkaders. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet meegenomen tenzij het een concreet afgerond project is, hetgeen onder meer inhoudt dat benodigde onderzoeken zijn uitgevoerd en de economische uitvoerbaarheid is onderbouwd. Het vorenstaande houdt in dat in bestaande woongebieden geen nieuwe (directe) bouwtitels gecreëerd dienen te worden.
3.4. De Afdeling leidt uit de tussen [appellant] en de gemeente Kerkrade gesloten koopovereenkomst van 19 april 2002 af dat [appellant] het voornemen heeft twee eengezinswoningen te realiseren op het perceel [locatie 2]. Voorts stelt de Afdeling vast dat in de overeenkomst niet wordt ingegaan op het perceel [locatie 1].
Over het betoog van [appellant] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in de bouwmogelijkheid van vijf woningen op het perceel [locatie 1] zou voorzien. Voor zover [appellant] verwijst naar het gesprek dat op 3 mei 2001 heeft plaatsgevonden tussen een ambtelijke delegatie van de gemeente en [appellant], overweegt de Afdeling dat in het verslag van het gesprek staat dat de voorkeur uitgaat naar variant 1, te weten de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel [locatie 2]. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.
Voorts overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwplannen van [appellant] ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende concreet waren en derhalve niet in het plan behoefden te worden opgenomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad hierbij rekening heeft gehouden met beleidsstukken waarin het in het bestemmingsplan restrictief opnemen van woningbouwmogelijkheden vanwege de krimp van het bevolkingsaantal in de gemeente Kerkrade is voorzien.
Het betoog faalt.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.
w.g. Van Sloten w.g. Zwemstra
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014
91-770.