Uitspraak 201307312/1/A4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:1075
- Datum uitspraak
- 26 maart 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 april 2013 heeft het college zijn beslissing om op 11 april 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellante] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 91,00) voor rekening van [appellante] komen.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
201307312/1/A4.
Datum uitspraak: 26 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Deventer,
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2013 heeft het college zijn beslissing om op 11 april 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellante] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 91,00) voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2014, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier en A.I. Duivenvoorde, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 25 juni 2013, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is begonnen op 26 juni 2013 en geëindigd op 6 augustus 2013.
2. Het beroepschrift is bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2013, zodat het niet binnen de termijn is ingediend. Derhalve en in aanmerking genomen dat het beroepschrift ook niet vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, is het niet tijdig ingediend.
3. [appellante] is in de gelegenheid gesteld om mede te delen wat de reden is geweest voor de overschrijding van de beroepstermijn. Zij heeft daarvoor als reden aangedragen dat zij heeft gewacht met het indienen van een beroepschrift totdat zij kennis had genomen van de uitkomst van overleg dat zij voerde met een deurwaarder die was belast met de invordering van het in rekening gebrachte bedrag van € 91,00. Dat ten gevolge van deze handelwijze de beroepstermijn is overschreden komt voor rekening en risico van [appellante]. Van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest, is niet gebleken.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann w.g. Van Hulst
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2014
402.