Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201309200/1/V3

Uitspraak 201309200/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:1017
Datum uitspraak
14 maart 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 december 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de vreemdeling ongewenst verklaard.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201309200/1/V3.
Datum uitspraak: 14 maart 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 september 2013 in zaak nr. 13/13250 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de vreemdeling ongewenst verklaard.

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 67, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt, indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.

Volgens paragraaf A5/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt de beschikking waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant. Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling in de Staatscourant, aldus deze paragraaf.

3. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het door de vreemdeling gemaakte bezwaar van de vreemdeling ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe betoogt hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012 in zaak nr. 201106007/1/V1, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval geen aanleiding bestond om aan te nemen dat ten tijde van het besluit van 22 december 2010 een gemachtigde bekend was. Nu de vreemdeling voorts niet langer woonachtig was op haar laatst bekende adres, mocht, gelet op paragraaf A5/3.3. van de Vc 2000, voor de bekendmaking van het besluit tot ongewenstverklaring worden volstaan met het doen van een mededeling ervan in de Staatscourant, aldus de staatssecretaris.

3.1. Zoals uit de hiervoor vermeldde uitspraak van 3 april 2012 volgt, kan een verplichting van het bestuursorgaan tot het toezenden van stukken aan een gemachtigde niet worden aangenomen op grond van de enkele omstandigheid dat de belanghebbende in een andere zaak een gemachtigde heeft, dan wel in een eerdere zaak een gemachtigde had. Van een verplichting daartoe kan eerst sprake zijn indien de belanghebbende zelf het bestuursorgaan ervan op de hoogte heeft gesteld dat zijn gemachtigde in een andere of eerdere zaak ook in de betrokken zaak voor hem optreedt.

3.2. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval geen aanleiding bestond om aan te nemen dat ten tijde van het besluit van 22 december 2010 een gemachtigde bekend was. Dat eerder, in een bewaringsprocedure, voor de vreemdeling een gemachtigde optrad, leidt, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012, niet tot een ander oordeel. Die procedure dient als een eerdere zaak te worden aangemerkt. Nu de staatssecretaris van het besluit tot ongewenstverklaring een mededeling heeft gedaan in de Staatscourant, is dat besluit, gelet op artikel 67, tweede lid, van de Vw 2000, op de juiste wijze bekendgemaakt.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 april 2013 alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 september 2013 in zaak nr. 13/13250;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van de Kolk
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2014

347-750.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon