Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201302101/1/V2

Uitspraak 201302101/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:832
Datum uitspraak
5 maart 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Ongewenstverklaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201302101/1/V2.
Datum uitspraak: 5 maart 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 februari 2013 in zaak nr. 12/20586 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de ongewenstverklaring opgeheven en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat de autoriteiten van de Russische Federatie geen toestemming zullen geven voor of medewerking zullen verlenen aan zijn terugkeer. Hiertoe verwijst hij onder meer naar een aanvraag tot afgifte van een laisser-passez die nog in onderzoek is bij de autoriteiten van de Russische Federatie.

2.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat de autoriteiten van de Russische Federatie geen toestemming zullen geven voor of medewerking zullen verlenen aan zijn terugkeer, reeds omdat op de aanvraag tot afgifte van een laisser-passez nog niet is beslist en daarmee dit standpunt deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat hij gelet op het tijdsverloop sinds het door de vreemdeling gepleegde geweldsdelict nader had dienen te motiveren waarom hij een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd. Ook heeft de rechtbank hiertoe ten onrechte overwogen dat hij niet heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden, te weten het tijdsverloop sinds het geweldsdelict, de eerdere ongewenstverklaring, de duur van zijn verblijf in Nederland en zijn familieleven, geen aanleiding hebben gegeven om daarvan af te zien dan wel tot het verkorten van de duur daarvan,

3.1. De staatssecretaris voert in de grief terecht aan dat hij in het besluit kenbaar heeft gemotiveerd waarom voormelde door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden, waaronder het tijdsverloop, geen aanleiding hebben gegeven om af te zien van het inreisverbod dan wel tot het verkorten van de duur daarvan. Hij heeft daarbij een afweging gemaakt tussen het belang van de bescherming van de openbare orde en de door de vreemdeling aangevoerde individuele belangen, zoals het belang om met zijn partner en kinderen in Nederland het gezinsleven te kunnen uitoefenen. De staatssecretaris heeft in het besluit terecht groot gewicht toegekend aan de aard en ernst van het geweldsdelict en aan een ander misdrijf, te weten deelneming aan een criminele organisatie, waarvoor de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden en het feit dat de vreemdeling nadien een transactieaanbod voor een ander misdrijf, te weten het rijden onder invloed, heeft aanvaard. Voorts heeft de staatssecretaris bij zijn afweging onder meer betrokken dat de vreemdeling het grootste deel van zijn leven buiten Nederland heeft doorgebracht en niet is gebleken dat de partner van de vreemdeling en zijn meerderjarige kinderen, indien zij daarvoor zouden kiezen, hem niet kunnen volgen om elders het gezinsleven uit te oefenen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris aldus deugdelijk gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 februari 2013 in zaak nr. 12/20586;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bosma
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2014

572-691.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon