Uitspraak 200509677/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU8808
- Datum uitspraak
- 19 december 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200509677/1.
Datum uitspraak: 19 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/48065 en 05/48066 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 18 november 2005 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 november 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 november 2005 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1 en 3, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter, door te overwegen dat, nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, hij niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toekomt, heeft miskend dat met het vaststellen door de minister van een beleid van categoriale bescherming sprake is van een relevante wijziging van het recht.
2.1.1. Appellant heeft eerder op 6 juni 2000 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 26 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen. Die beslissing is met de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2003 in rechte onaantastbaar geworden.
2.1.2. Op 20 oktober 2005 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van zodanige vergunning. Allereerst dient derhalve te worden onderzocht of deze moet worden aangemerkt als herhaalde aanvraag, waarvoor het in de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1 (AB 2003, 315) neergelegde toetsingskader geldt.
2.1.3. Bij besluit van 24 juni 2005 (Stcrt. 2005, nr. 122, pagina 11) heeft de minister tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers met de Somalische nationaliteit die niet afkomstig zijn uit Somaliland of Puntland, met uitzondering van de provincies Sool en Sanaag, besloten. Appellant heeft steeds - ook in het kader van de onderhavige aanvraag - verklaard van Somalische nationaliteit te zijn en afkomstig uit een gebied, waarop het besluit van 24 juni 2005 ziet. Die verklaringen zijn in de eerdere procedure onbestreden gebleven, zodat bij de beoordeling of sprake is van een voor appellant relevante wijziging van het recht, de door hem gestelde nationaliteit en afkomst als uitgangspunt dient te worden genomen. Met voormeld beleid van categoriale bescherming is ten aanzien van appellant dan ook sprake van een relevante wijziging van het recht, zodat geen sprake is van een herhaalde aanvraag in evenbedoelde zin. Het staat de minister overigens vrij in het kader van de beoordeling van deze aanvraag te bezien of, en, zo ja, in hoeverre hij de door appellant gestelde nationaliteit en afkomst thans geloofwaardig acht.
2.2. De grieven slagen. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.3. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 18 november 2005 in zaak no. AWB 05/48065;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Loon
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2005
284-418.