Uitspraak 201307453/1/A4 201307453/2/A4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:2822
- Datum uitspraak
- 3 september 2013
- Inhoudsindicatie
- Het verzoek om herziening richt zich tegen de uitspraak van 17 april 2013, verzonden op diezelfde datum, van de Afdeling. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
- Mondelinge uitspraak
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
201307453/1/A4 201307453/2/A4.
Datum uitspraak: 3 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te Ingber, gemeente Gulpen-Wittem,
om herziening (artikel 8:119 van de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013 in zaak nr. 201208771/1/A4.
Openbare zitting gehouden op 3 september 2013 om 12:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. Th.C. van Sloten, voorzitter
ambtenaar van staat: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff
jurist: mr. I. Bijl
Verschenen:
[verzoeker], bijgestaan door mr. P.J.M. Brouwers, advocaat te Maastricht; het college van gedeputeerde staten van Limburg, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en [belanghebbende].
Het verzoek om herziening richt zich tegen de uitspraak van 17 april 2013, verzonden op diezelfde datum, van de Afdeling. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter
I. wijst het verzoek om herziening af;
II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Daartoe overweegt hij het volgende.
In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook voor het overige geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Herziening betreft een buitengewoon rechtsmiddel, dat er in beginsel toe strekt een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. [verzoeker] voert onder meer aan dat uit een nadere bestudering van de wetsgeschiedenis volgt dat, anders dan de Afdeling in haar uitspraak van 17 april 2013 heeft geoordeeld, een weg niet kan worden aangemerkt als een waterstaatswerk als bedoeld in de Waterstaatswet 1900. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2002 in zaak nr. 200104247/2) kan een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet dienen als grond voor herziening. Ook voor het overige heeft [verzoeker] geen feiten en omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, reeds omdat hetgeen door hem is aangevoerd vóór de uitspraak van 17 april 2013 redelijkerwijs bij hem bekend kon zijn. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
w.g. Van Sloten w.g. Van der Maesen de Sombreff
voorzitter ambtenaar van staat
190-684.