Uitspraak 200305076/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:1
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 juli 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200305076/1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 juli 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 augustus 2003 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 beoogt appellante kennelijk te betogen dat het beleid, zoals dat volgens paragraaf C5/2.4.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt gevoerd, in strijd is met de artikelen 36 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en 3.108 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag van appellante, welke is ondertekend door haar zaakwaarnemer, toen deze niet haar wettelijk vertegenwoordiger was, rechtsgeldig is.
2.1.1. Ingevolge artikel 36 van de Vw 2000, voor zover thans van belang, wordt, in afwijking van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de wet, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Volgens paragraaf C5/24.3.3 van de Vc 2000 moeten alleenstaande minderjarige vreemdelingen hun asielaanvraag indienen in een aanmeldcentrum. Paragraaf C3/12 is van toepassing. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen van twaalf jaar en ouder worden in beginsel geacht tot een redelijke waardering van hun belangen in staat te zijn. Zij ondertekenen de aanvraag zelf.
Volgens voormelde paragraaf moeten asielaanvragen van minderjarige vreemdelingen, jonger dan twaalf jaar, ook worden ingediend in een aanmeldcentrum. Omdat zij evenwel niet tot een redelijke waardering van hun belangen in staat worden geacht, wordt de feitelijke ondertekening van het formulier M 35-H uitgevoerd door de voogd, nadat de voogdij is geregeld. Indien de voogdij nog niet is geregeld, kan de asielaanvraag echter ook worden ondertekend door een zaakwaarnemer, aldus de Vc 2000.
2.1.2. Volgens de memorie van toelichting bij artikel 36 (34) van de Vw 2000, waarin wordt verwezen naar de toelichting op artikel 23 (21) (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 33), houdt de in eerstvermelde bepaling neergelegde afwijking van artikel 2:1 van de Awb verband met de mogelijkheid van toezicht en het voorkomen van gefingeerde aanvragen.
2.1.3. Een vreemdeling heeft eerst na de indiening van een aanvraag rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en komt eerst dan in aanmerking voor de daarbij behorende voorzieningen.
Nu het voorts kennelijk de bedoeling van appellante was om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verkrijgen en zij niet heeft gesteld dat haar tante, die de aanvraag als haar zaakwaarnemer heeft ondertekend, haar belangen niet juist heeft behartigd, heeft appellante geen belang bij de door haar voorgedragen grief. Deze kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.2. In grief 2 klaagt appellante dat de rechtbank in de omstandigheid dat zij bij haar gehoor geen directe bijstand heeft gehad van een rechtshulpverlener ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld.
2.2.1. De rechtbank heeft overwogen dat appellante tijdens het gehoor werd begeleid door een medewerker van de Stichting Nidos, die bij het gehele gehoor aanwezig was, alsmede door de tante, die een gedeelte van het gehoor heeft meegemaakt en aan wie vragen zijn gesteld ter completering van het relaas van appellante. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante is gehoord door een ambtenaar van de Unit Landelijke Ama-taken, regio Zuid-Oost, die speciaal is aangewezen en opgeleid voor het horen van kinderen, alsmede dat uit het verslag van dat gehoor naar voren komt dat het gesprek op een ontspannen en kindvriendelijke manier is gevoerd, terwijl niet is gebleken dat appellante de vragen niet of niet geheel heeft begrepen.
2.2.2. Onder de hierboven weergegeven omstandigheden en nu uit de stukken blijkt dat een medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel namens appellante op onderscheidenlijk 1 juli 2003 een advies en op 3 juli 2003 een zienswijze heeft uitgebracht, heeft de rechtbank terecht in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister bij de afhandeling van de aanvraag van appellante in het Aanmeldcentrum onzorgvuldig heeft gehandeld.
De grief faalt.
2.3. Hetgeen in de grieven 3, 4 en 5 naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2.4. De grieven 6 en 7 hebben geen zelfstandige betekenis en kunnen derhalve buiten beschouwing blijven.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Frenkel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2003
206-451.