Uitspraak 201306808/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:2959
- Datum uitspraak
- 30 juli 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 juli 2013 heeft de burgemeester aan [verzoeker] voor een periode van tien dagen een huisverbod opgelegd. Het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep heeft de voorzieningenrechter bij de uitspraak van 22 juli 2013 ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
- Voorlopige voorziening
- Huisverbod
Toon inhoud
201306808/2/A3.
Datum uitspraak: 30 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Purmerend,
tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 22 juli 2013 in zaak nrs. 205147/13-5 en 205149/13-2542 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de burgemeester van Purmerend.
Openbare zitting gehouden op 30 juli 2013 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. H.G. Lubberdink voorzitter
ambtenaar van staat: mr. I.S. Vreken-Westra
Verschenen:
[verzoeker], vertegenwoordigd door mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam;
De burgemeester, vertegenwoordigd door C.E. van der Tuuk.
Bij besluit van 15 juli 2013 heeft de burgemeester aan [verzoeker] voor een periode van tien dagen een huisverbod opgelegd. Het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep heeft de voorzieningenrechter bij de uitspraak van 22 juli 2013 ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt geschorst, alsmede dat het besluit van de burgemeester van 24 juli 2013, waarbij voormeld huisverbod is verlengd met achttien dagen, zijnde tot 12 augustus 2013, 12:38 uur, wordt geschorst.
Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Vast staat dat tijdens het incident op 14 juli 2013, in welk incident de burgemeester aanleiding heeft gezien om het huisverbod op te leggen, zich een uiting van geweld door [verzoeker] in het bijzijn van zijn echtgenote heeft voorgedaan. Aan [verzoeker] is voorts eerder op 28 juli 2012 een huisverbod opgelegd. Sinds de oplegging van het thans aan de orde zijnde huisverbod heeft de hulpverlenende instantie nog geen afspraak met [verzoeker] kunnen maken, zodat onvoldoende zicht bestaat op de huidige situatie.
Onder deze omstandigheden is de voorzitter van oordeel dat geen aanleiding bestaat om hangende de bodemprocedure de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter wijst het verzoek af.
w.g. Lubberdink w.g. Vreken-Westra
voorzitter ambtenaar van staat
434.