Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200400554/1

Uitspraak 200400554/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AQ3671
Datum uitspraak
2 juli 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200400554/1.
Datum uitspraak: 2 juli 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in de grieven 1 tot en met 5 naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2.2. Grief 6 richt zich tegen oordeel van de rechtbank dat de minister niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, hoewel niet tot toelating wordt overgegaan, voorshands af te zien van de bevoegdheid tot uitzetting en evenmin om hierover, indien nodig, een afzonderlijk besluit te nemen.

2.3. Zoals de Afdeling, onder verwijzing naar de geschiedenis van totstandkoming van die bepaling, eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 juni 2004 in zaak no. 200308511/1, heeft de wetgever met artikel 45 van de Vw 2000 beoogd het aantal afzonderlijke procedures te verminderen. Uitgangspunt is daarom dat tegen een beslissing tot uitzetting geen rechtsmiddel openstaat, aangezien uit artikel 45 rechtstreeks voortvloeit dat de vreemdeling kan worden uitgezet indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat en dat tegen uitzettingshandelingen slechts bij wijze van uitzondering bezwaar en beroep mogelijk is, namelijk in het geval dat er door tijdsverloop tussen de afwijzing van de asielaanvraag en de daadwerkelijke uitzettingshandeling een relevante wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Omdat de bestreden overweging hiermee niet in overeenstemming is, slaagt de grief.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris alsnog beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.5. Appellant heeft in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat in het besluit geen kenbare en individuele beoordeling heeft plaatsgevonden over het van rechtswege aan dat besluit verbonden gevolg dat hij kan worden uitgezet, terwijl in beginsel vast staat dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zal worden geschonden indien hij wordt uitgezet.

De minister heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat artikel 3 van het EVRM niet kan leiden tot toelating van appellant, maar wel in de weg kan staan aan diens eventuele uitzetting. Indien wordt overgegaan tot uitzetting van appellant zal alsdan worden beoordeeld of die uitzetting in strijd is met die verdragsbepaling.

2.5.1. Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de asielaanvraag van appellant. Aan dat besluit zijn van rechtswege de in artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 opgesomde gevolgen verbonden, onder meer inhoudende dat appellant uit eigen beweging het land dient te verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet. In het besluit en het voornemen heeft de staatssecretaris voormelde rechtsgevolgen van de afwijzing van de aanvraag op geen enkele wijze betrokken.

2.5.2. Zoals de Afdeling in voornoemde uitspraak van 9 juni 2004 eveneens heeft overwogen, brengt de verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 met zich dat de minister de beoordeling van de asielaanvraag van de betrokken vreemdeling op zodanige wijze dient in te richten en af te bakenen, dat zo enigszins mogelijk wordt voorkomen dat de vreemdeling in de situatie komt te verkeren dat hij niet wordt toegelaten, maar evenmin wordt uitgezet, teneinde de groep vreemdelingen die komt te verkeren in die door de wetgever kennelijk ongewenst geachte situatie, zoveel mogelijk te beperken.

Daartoe moet het besluit er blijk van geven dat door de minister is onderzocht of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst, waartoe de bevoegdheid voortvloeit uit een afwijzende meeromvattende beschikking, en dient hij overeenkomstig het dwingend bepaalde in artikel 30, aanhef en onder c en d, en artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g tot en met j, van de Vw 2000 de daar genoemde omstandigheden in zijn oordeel te betrekken. Voorts staat het de minister vrij te beoordelen of sprake is van vluchtelingschap alvorens artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag in te roepen en zal hij in voorkomende gevallen moeten bezien of daartoe aanleiding bestaat. In de gevallen waarin uit genoegzaam onderzoek is gebleken dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet en daarenboven voorts sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt, kan van de minister voorts worden gevergd dat hij beoordeelt of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is. De toepassing van artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 mag niet in de weg staan aan het verrichten van het onderzoek dat ingevolge het stelsel van de wet is vereist.

Het bestreden besluit impliceert het voornemen tot uitzetting van appellant naar zijn land van herkomst. Het geeft er geen blijk van dat daaraan het blijkens het vorenoverwogene vereiste onderzoek ten grondslag ligt. Derhalve is het besluit niet totstandgekomen op basis van een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en treft het bij de rechtbank ingediende beroep in zoverre doel.

2.6. Het beroep is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2003 in zaak nr. AWB 01/51824 BEPTDN;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 14 september 2001, kenmerk 9912.28.8043;

V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan appellant.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Breda
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2004

310-345.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon