Uitspraak 200407175/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT2669
- Datum uitspraak
- 10 maart 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 11 december 2002 heeft appellant (hierna: de minister) aan de vreemdelingen bericht dat de brief van 13 februari 2001 als afgedaan wordt beschouwd.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200407175/1.
Datum uitspraak: 10 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 juli 2004 in het geding tussen:
[vreemdelingen]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij brief van 11 december 2002 heeft appellant (hierna: de minister) aan de vreemdelingen bericht dat de brief van 13 februari 2001 als afgedaan wordt beschouwd.
Bij besluit van 13 februari 2003 heeft de minister het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 juli 2004, verzonden op 29 juli 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 september 2004 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2005, waar de minister, vertegenwoordigd door, mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, en de vreemdelingen in persoon, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting een nader stuk van de minister, dat op 4 februari 2005 bij de Afdeling is binnengekomen. Bij brief van 13 februari 2005 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend. Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling met toestemming van partijen afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting en het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Niet meer in geschil is, dat de brief van 13 februari 2001 moet worden opgevat als een verzoek om heroverweging van het besluit van 22 augustus 1997, dat bij uitspraak van 3 maart 1999 in rechte onaantastbaar is geworden. Dat deze aanvraag van 13 februari 2001 mogelijk niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen, doet hieraan niet af, aangezien de minister toepassing kan geven aan artikel 4:5 van de Awb. De minister heeft dit niet gedaan.
De Afdeling overweegt ambtshalve dat een verzoek van een belanghebbende om heroverweging van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar besluit, volgens vaste jurisprudentie een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, waarop een besluit behoort te worden genomen.
2.2. De minister betoogt met recht dat indien zo'n besluit strekt tot afwijzing van die aanvraag, de toetsing door de rechter van dat besluit ingevolge het 'ne bis in idem'-beginsel beperkt moet blijven tot een beoordeling of in de aanvraag nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn aangevoerd en, indien dat het geval is, of die noopten tot het nemen van een andersluidend besluit. Deze beoordeling evenwel strekt tot afbakening van de toetsing van het op een verzoek om heroverweging genomen besluit. Daaraan vooraf gaat de vaststelling of op het verzoek om heroverweging al dan niet een besluit is genomen.
De brief van 11 december 2002 behelst de weigering van de minister inhoudelijk te beslissen op evenbedoelde aanvraag. Het bezwaarschrift van 8 januari 2003 tegen de brief van 11 december 2002 dient derhalve te worden opgevat als een bezwaarschrift dat is ingediend tegen de weigering een besluit te nemen, waartegen op voet van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb bezwaar open stond. De Afdeling is derhalve met de rechtbank, doch op een andere grond, van oordeel dat dit bezwaar bij het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Troost
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005
234-458.