Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200405491/1

Uitspraak 200405491/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AR6261
Datum uitspraak
12 november 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 1 augustus 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen asiel ingetrokken. Deze besluiten zijn aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200405491/1.
Datum uitspraak: 12 november 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 9 juni 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 1 augustus 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen asiel ingetrokken. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juni 2004, verzonden op 11 juni 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de rechtbank), de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 juli 2004 heeft de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In de enige grief klagen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in redelijkheid hun het ontbreken van documenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), heeft kunnen tegenwerpen, nu hun eerder op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend en de minister toen klaarblijkelijk niet heeft getwijfeld aan hun identiteit en nationaliteit.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden ingetrokken, dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien de grond voor verlening, als bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Bij besluiten van 20 augustus 2001 is aan appellanten op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2002 in zaak no. 200105914/1; AB 2002, 132), ligt in een zodanig besluit het oordeel besloten dat geen aanspraak bestaat op verlening van een verblijfsvergunning op de voet van de onderdelen a tot en met c van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000.

In deze uitspraak heeft de Afdeling evenzeer overwogen dat er van moet worden uitgegaan dat een besluit, waarbij een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voorzover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op verlening van een verblijfsvergunning op de voet van de onderdelen a tot en met c van die bepaling. Appellanten hadden hangende de geldigheidsduur van de verleende vergunningen geen belang bij beroep tegen de daaraan ten grondslag liggende besluiten. Dit belang is ontstaan door het voornemen van de minister tot intrekking van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd wegens het vervallen van de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, in verband met de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers van Afghaanse nationaliteit.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Volgens paragraaf C1/5.8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 ziet voormelde bepaling op bescheiden ter staving van de gestelde identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling.

Volgens paragraaf C1/4.5.1 dient bij verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 geen twijfel te bestaan omtrent de identiteits- en nationaliteitsgegevens.

Ten aanzien van A. (hierna: appellant) heeft de minister in het besluit van 1 augustus 2003 bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 slechts tegengeworpen dat hij geen bescheiden ter staving van zijn stellingen omtrent de reisroute heeft overgelegd. Dat aan appellant eerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is verleend, betekent niet dat de minister bij de beoordeling of hij aanspraak kan maken op verlening van een verblijfsvergunning op de voet van de onderdelen a tot en met c het ontbreken van die bescheiden niet mocht tegenwerpen. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid in redelijkheid niet aan appellant heeft kunnen tegenwerpen.

Ten aanzien van P. (hierna: appellante) heeft de minister, naast het ontbreken van bescheiden ter staving van de gestelde reisroute, tegengeworpen dat zij toerekenbaar geen nationaliteits- en identiteitspapieren heeft overgelegd. De omstandigheid dat bij de eerdere vergunningverlening kennelijk niet is getwijfeld aan haar identiteit en nationaliteit, leidt niet reeds tot het oordeel dat de minister het ontbreken van nationaliteits- en identiteitspapieren niet aan haar heeft kunnen tegenwerpen. In het in het bij de rechtbank bestreden besluit geïnsereerde voornemen om de vergunning in te trekken heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellante, die heeft verklaard haar identiteits- en nationaliteitspapieren thuis te hebben gelaten, aldus onvoldoende medewerking heeft verleend bij de beoordeling van haar aanvraag. De rechtbank is de minister op goede gronden in dit standpunt gevolgd. In het licht hiervan en het hiervoor onder 2.1.5. overwogene heeft de rechtbank ten aanzien van appellante terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de minister de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid niet in redelijkheid aan haar heeft kunnen tegenwerpen.

De grief faalt.

Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van der Winden
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004

348-434.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon