Uitspraak 200407606/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AS7888
- Datum uitspraak
- 18 oktober 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 3 augustus 2004 zijn appellanten in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200407606/1.
Datum uitspraak: 18 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
H. en E. Kovac, alsmede hun minderjarige zoon H. Kovac,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 2 september 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 3 augustus 2004 zijn appellanten in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 2 september 2004, verzonden op 6 september 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht (hierna: de rechtbank), het met een kennisgeving vanwege de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 september 2004, hoger beroep ingesteld en de Afdeling verzocht hen schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 september 2004 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 2 en 3, in onderlinge samenhang gelezen, klagen appellanten, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat zij ten tijde van de inbewaringstelling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) hebben ingediend en aldus heeft miskend dat de minister, door hen in bewaring te stellen, onrechtmatig heeft gehandeld.
2.1.1. De grieven leiden niet tot het ermee beoogde doel, reeds omdat de vraag of appellanten een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd hebben ingediend voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de oplegging van de maatregel tot inbewaringstelling niet van belang is. Het bestaan van zodanige aanvraag brengt niet mee dat de inbewaringstelling van appellanten, die is gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 en die op 11 augustus 2004 weer is opgeheven, niet had mogen plaatsvinden.
2.2. Hetgeen voor het overige naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2004
156-428.