Uitspraak 201200592/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:BX2623
- Datum uitspraak
- 27 juni 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 juni 2011 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in het kader van de besluitvorming inzake de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, afgewezen.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Schadevergoeding
Toon inhoud
201200592/1/R1.
Datum uitspraak: 27 juni 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Moorveld, gemeente Meerssen,
en
de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2011 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in het kader van de besluitvorming inzake de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, afgewezen.
Bij brief van 25 juli 2011 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de gronden van zijn bezwaar aangevuld en de staatssecretaris verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij brief van 2 september 2011.
De staatssecretaris heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank Maastricht. Bij brief van 28 september 2011 heeft de rechtbank dit aan de Afdeling doorgezonden.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201113128/1/R1 ter zitting behandeld op 21 mei 2012, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. Rus-van der Velde en mr. R.S.J. Schmull, beiden advocaat te Den Haag, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 27 december 2004, kenmerk DGL/04.u02917, heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aanwijzing voor het luchtvaartterrein Maastricht vastgesteld (hierna: het A-besluit).
Bij besluit van gelijke datum, kenmerk S397, heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de minister van Verkeer en Waterstaat, toepassing gegeven aan artikel 26, eerste lid, van de Luchtvaartwet in samenhang met artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het luchtvaartterrein Maastricht (hierna: het RO-besluit).
Bij besluit van 24 augustus 2006, kenmerk HDJZ/LUV/2006-1295, verzonden op 31 augustus 2006, hebben de minister van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend.
Bij uitspraak van 13 februari 2008, zaak nr. 200606822/1, heeft de Afdeling de tegen de beslissing op bezwaar inzake het A-besluit en het RO-besluit door anderen dan [appellant] ingestelde beroepen geheel gegrond verklaard. De Afdeling heeft daarbij het besluit op bezwaar inzake het A-besluit en het RO-besluit geheel vernietigd.
Bij besluit van 27 oktober 2011, nr. IENM/BSK-2011/142625, hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu opnieuw beslist op de bezwaren.
2.1.1. Uit rechtsoverweging 2.5.1 van de uitspraak van heden in zaak nr. 201113128/1/R1 volgt dat [appellant] als een van de appellanten die geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 24 augustus 2006, moet worden geacht in dat besluit te hebben berust. Dat betekent dat voor hem daarmee een einde was gekomen aan het geschil over de besluiten van 27 december 2004 inzake het luchtvaartterrein Maastricht. De omstandigheid dat naar aanleiding van het beroep van anderen het besluit van 24 augustus 2006 is vernietigd en de minister en de staatssecretaris naar aanleiding daarvan op 27 oktober 2011 een nieuw besluit op bezwaar hebben genomen waartegen [appellant] vervolgens op 22 december 2011 wel beroep heeft ingesteld, maakt dat niet anders. Nu niet valt in te zien dat de staatssecretaris tegenover [appellant] in gebreke is gebleven door na de uitspraak van 13 februari 2008 niet tijdig een nieuw besluit op bezwaar te nemen, heeft de staatssecretaris reeds daarom het verzoek om schadevergoeding op goede gronden afgewezen.
2.1.2. Het beroep van [appellant] is ongegrond.
2.1.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.
w.g. Van Buuren w.g. Priem
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012
646.