Uitspraak 200507278/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU6194
- Datum uitspraak
- 8 november 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 juli 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200507278/1.
Datum uitspraak: 8 november 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/32947 en 05/32958 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 11 augustus 2005 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 11 augustus 2005, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 29 augustus 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
2.1.1. Artikel 4:6 van de Awb geeft voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk op zo’n aanvraag te beslissen.
Voormeld algemeen beginsel geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt het beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader derhalve ook, indien het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet heeft toegepast. De regels inzake de toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.
2.1.2. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstbedoelde bepaling, behoorden te worden overgelegd.
Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust.
2.2. In de grieven 1 en 3, gelezen in hun onderling verband, klaagt de minister dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de uitspraak van 24 juni 2003 in de zaak Arcila Henao, nr. 13669/03, JV 2004/126, niet is afgeweken van eerdere jurisprudentie en dat de medische situatie van de vreemdeling geen nieuw feit in bovenvermelde zin vormt. Volgens de minister volgt uit deze uitspraak dat de combinatie van de elementen dat de ziekte van de desbetreffende vreemdeling een vergevorderd of terminaal stadium heeft bereikt en dat de desbetreffende vreemdeling geen uitzicht heeft op medische zorg of ondersteuning van familie in zijn land van herkomst van doorslaggevende betekenis is bij de beantwoording van de vraag of terugzending van de desbetreffende vreemdeling naar zijn land van herkomst tot schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zal leiden.
De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de door haar aan haar nieuwe aanvraag ten grondslag gelegde medische situatie daarvan sprake is, aldus de minister.
2.3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Volgens de rechtspraak van het EHRM (uitspraak van2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens de hiervoor genoemde uitspraken van het EHRM slechts sprake zijn als de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.
Uit de uitspraak van het EHRM van 24 juni 2003 valt niet af te leiden dat indien bij afzonderlijke toetsing van deze drie elementen - het stadium waarin de ziekte zich bevindt, het uitzicht op medische zorg in het land van herkomst en op steun van zijn familie aldaar - één van de desbetreffende vragen negatief moet worden beantwoord, een risico op schending van artikel 3 van het EVRM moet worden aangenomen, als waarvan de voorzieningenrechter uitgaat.
Het EHRM heeft in die uitspraak verwezen naar zijn eerdere jurisprudentie en uit die jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat van schending van artikel 3 van het EVRM in een geval als dit ook sprake kan zijn, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan een ziekte lijdt die zich in een vergevorderd, levensbedreigend stadium bevindt. De gestelde omstandigheden dat hij verstoken zal blijven van medische behandeling en steun van familie dienen te worden beoordeeld in samenhang met het stadium waarin de ziekte zich bevindt.
2.3.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 was het derhalve aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat haar medische situatie zodanig is, dat die tot toelating op de voet van het bepaalde bij artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 noopt.
De minister heeft niet door haar aannemelijk gemaakt hoeven achten dat zij aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium lijdt. Dat de vreemdeling, zoals zij stelt, met het HIV-virus is besmet en in verband daarmee is behandeld en dat in het land van herkomst geen behandeling voorhanden is, leidt niet tot het oordeel dat daarvan sprake is. De minister hoefde daarom niet te onderzoeken of zij in het land van herkomst over medische zorg kan beschikken of steun van haar familie zal kunnen krijgen.
Gelet op het voorgaande, heeft de voorzieningenrechter de medische situatie van de vreemdeling ten onrechte als een nieuw feit, als bedoeld in overweging 2.1.2, aangemerkt.
De grieven 1 en 3 slagen.
2.4. Nu de grieven 1 en 3 slagen behoeft grief 2 geen bespreking.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de vreemdeling aan haar aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, ten grondslag heeft gelegd, het beroep tegen het besluit van 20 juli 2005 alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 11 augustus 2005 in zaak no. AWB 05/32947;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Heide-Boertien, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van der Heide-Boertien
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2005
319.