Uitspraak 200501152/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT1095
- Datum uitspraak
- 10 maart 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 januari 2005 is [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200501152/1
Datum uitspraak: 10 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 28 januari 2005 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2005 is [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 28 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring bevolen en schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 februari 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Grief 1 richt zich tegen de overweging dat had moeten worden volstaan met een lichter middel. De minister betoogt dat de rechtbank aldus de inbewaringstelling ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst.
2.1.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door de minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.
Ingevolge het tweede lid, voorzover thans van belang, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn.
Volgens paragraaf A5/5.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000, voorzover thans van belang, kan er grond zijn om bewaring niet of niet langer toe te passen, indien met een lichter middel kan worden volstaan.
2.1.2. Niet in geding is dat met de afgifte van de laissez-passer op 3 november 2004 de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn. Het belang van de openbare orde wordt derhalve geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, zodat is voldaan aan de in artikel 59 van de Vw 2000 gestelde vereisten voor toepassing van de daar voorziene bevoegdheid.
Vervolgens was het aan de minister om te beoordelen of zich feiten of omstandigheden voordoen die aanleiding geven de uitzetting met gebruikmaking van een minder belastend middel dan bewaring veilig te stellen. Gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, staat bij de rechtbank ter beoordeling of de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft zich ten onrechte niet daartoe beperkt. Grief 1 treft doel.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling omtrent het beroep van de vreemdeling als volgt.
2.3. Volgens het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van het gehoor dat aan de inbewaringstelling vooraf is gegaan heeft de vreemdeling bij die gelegenheid, nadat haar door de betrokken inspecteur van politie was meegedeeld dat door de autoriteiten van Azerbeidzjan een laissez-passer is toegezegd, verklaard dat zij niet weg wil. Voorts heeft de vreemdeling geen bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot haar persoonlijke belangen gesteld ten betoge dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niettemin onevenredig bezwarend is. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de uitzetting van de vreemdeling niet met een lichter middel dan bewaring kan worden verzekerd.
2.4. Nu de voorgedragen beroepsgronden geen grond bieden voor het oordeel dat de vreemdeling ten onrechte in vreemdelingenbewaring is gesteld, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 28 januari 2005 in zaak nr. AWB 05/2712;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Snijders
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005
279