Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200400863/1

Uitspraak 200400863/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP0475
Datum uitspraak
25 mei 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 december 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voorzover thans van belang, een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200400863/1.
Datum uitspraak: 25 mei 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 22 januari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voorzover thans van belang, een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 februari 2004 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te ’s-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift, in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.2. De ter zitting van de Afdeling door appellant gestelde zorgvuldigheidsgebreken bij de totstandkoming van het besluit van 18 december 2003 zijn niet bij de rechtbank naar voren gebracht. Deze kunnen derhalve niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

2.3. Op 15 januari 2004 heeft de president van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) een voorlopige maatregel ("interim measure") getroffen. In de brief van die datum waarbij dit wordt meegedeeld, wordt gesteld dat de president heeft besloten dat het in het belang van de betrokken partijen en voor een goed verloop van de procedure bij het EHRM wenselijk is om appellant tot nader order niet uit te zetten naar Somalië.

2.4. In de grieven 3 tot en met 5 betoogt appellant, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 18 december 2003, nu dit een meeromvattende beslissing is, tevens de vraag naar de rechtmatigheid van de uitzetting moet worden betrokken. Volgens appellant is uitzetting naar Somalië, gelet op de door de president van het EHRM getroffen voorlopige maatregel, onrechtmatig, zodat ook het besluit van 18 december 2003 onrechtmatig is. Ter zitting van de Afdeling heeft appellant in dit verband voorts betoogd dat hij rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

2.4.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 heeft de beschikking, waarbij, voorzover thans van belang, een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, onder meer, van rechtswege tot gevolg dat:

a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens die wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven, totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2001 in zaak no. 200101994/1 (AB 2001, 266), is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van de afwijzing van een verzoek om toelating en niet discretionair van aard. Met de in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gebruikte zinsnede "… kan worden uitgezet" is kennelijk slechts beoogd een voorbehoud te maken ter zake van de noodzaak tot uitzetting en de feitelijke uitvoerbaarheid van voorgenomen uitzetting. Zo kan de vreemdeling eigener beweging vertrekken, zich aan de macht van het bestuur onttrekken of noodzakelijke medewerking vooralsnog weigeren. Voorts kan zich een tijdelijke verhindering voordoen, als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. Dergelijke feitelijke belemmeringen doen niet af aan het voornemen van het bestuur om, zodra ze zijn opgeheven, tot uitzetting over te gaan.

2.4.3. Volgens de uitspraak van het EHRM van 30 oktober 1991 inzake Vilvarajah (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Uit latere jurisprudentie van het EHRM blijkt niet dat het aldus gestelde individualiseringsvereiste is verlaten, doch dat daarnaast betekenis toekomt aan de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst waaraan het individuele asielrelaas wordt gerelateerd (uitspraak van het EHRM van 6 maart 2001, JV 2001/104 en van 17 februari 2004 in de zaak Venkadajalasarma tegen Nederland, nr. 5810/00, NJB 2004/17, nr. 20). Daarom zal de desbetreffende vreemdeling ook in geval van uitzetting naar landen, waar sprake is van georganiseerde grootschalige mensenrechtenschendingen jegens een groep, waartoe hij behoort, specifieke, hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken, wil artikel 3 van het EVRM hem bescherming kunnen bieden.

2.4.4. In de brief waarbij mededeling is gedaan van de door de president van het EHRM getroffen voorlopige maatregel is niet nader gemotiveerd, anders dan met een beroep op het belang van de betrokken partijen en een goed verloop van de procedure bij het EHRM, waarom de Nederlandse Staat wordt verzocht appellant niet uit te zetten. In het bijzonder blijkt daaruit niet of voormelde toets naar de individuele kenmerken van de zaak heeft plaatsgevonden. Uit de getroffen maatregel kan dan ook niet worden afgeleid dat de president van het EHRM van mening is dat appellant in diens specifieke situatie bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Gelet hierop moet de door de president van het EHRM getroffen maatregel in het kader van deze asielprocedure worden gezien als een feitelijke belemmering in vorenbedoelde zin die niet afdoet aan het voornemen van het bestuur om in geval van afwijzing door het EHRM van de tegen de uitzetting gerichte klacht, alsnog tot uitzetting over te gaan. De voorlopige maatregel brengt dan ook niet met zich dat het besluit inzake de toelating van 18 december 2003 in het licht van artikel 45 van de Vw 2000 onrechtmatig is. In zoverre slagen de grieven 3 tot en met 5 niet.

2.4.5. Appellant heeft echter terecht betoogd dat hij gedurende de geldigheid van de voorlopige maatregel rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, zodat sprake is van een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Het ter zitting van de Afdeling door de minister ingenomen standpunt dat de wetgever met artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 slechts nationale rechterlijke beslissingen heeft bedoeld, vindt geen steun in de wetsgeschiedenis.

Gelet hierop rust op appellant tijdens de geldingsduur van de maatregel geen vertrekplicht en is uitzetting naar nationaal recht onrechtmatig. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het voorgaande kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, aangezien de omstandigheid dat appellant op basis van deze bepaling rechtmatig verblijf heeft, niet afdoet aan de rechtmatigheid van het besluit van 18 december 2003.

2.5. Hetgeen in de grieven 1 en 2 naar voren is gebracht, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die berust, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Winden
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004

348-457.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon