Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200204792/1

Uitspraak 200204792/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2002:3
Datum uitspraak
18 september 2002
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 augustus 2002 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200204792/1.
Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 20 augustus 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2002 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 augustus 2002, verzonden op 26 augustus 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling in bewaring worden gesteld die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g en h.

2.2. Ingevolge artikel 36 van de Vw 2000, voorzover thans van belang, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, in afwijking van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Ingevolge artikel 37, aanhef en onder a, van die wet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag.

Ingevolge artikel 3.108, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt het model van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, bij ministeriële regeling vastgesteld.

Ingevolge artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij die regeling met de letter i aangeduide model.

2.3. Grief 1 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gezien het tijdstip van de aanhouding en de administratieve formaliteiten die bij de asielaanvraag moeten worden vervuld, redelijk is dat appellant pas de volgende dag in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd schriftelijk in te dienen.

Indien vast staat dat een vreemdeling een asielaanvraag wil indienen, terwijl deze daarvoor afhankelijk is van de medewerking van de vreemdelingendienst, moet hij volgens appellant geacht worden die aanvraag op dat moment te hebben ingediend. Appellant had derhalve rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000, zodat hij slechts op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld. Dat heeft de rechtbank volgens appellant miskend.

2.3.1. Deze grief faalt. De door appellant tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling gedane mededeling is geen ingediende aanvraag in de zin van de Vw 2000. Zij is daarmee ook niet gelijk te stellen, nu is voorgeschreven hoe die wordt ingediend en deze mededeling niet aan dat voorschrift voldoet. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat appellant terecht op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld.

2.4. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de onderliggende stukken voldoende blijkt, op welke grond hij opnieuw in bewaring is gesteld.

2.4.1. Voor de voortzetting van de bewaring is gebruik gemaakt van het daartoe voorgeschreven formulier Model M 110-A. Vaststaat dat op dit formulier geen categorie is aangekruist. Blijkens het daartoe voorgeschreven Model M 35-H heeft appellant op 7 augustus 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Niet is in geschil dat de gronden voor toepassing van de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geregelde bevoegdheid bestonden.

Nu appellant op 6 augustus 2002 op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring was gesteld, kan het voor appellant na indiening van voormelde aanvraag niet onvoldoende duidelijk zijn geweest, waarop de maatregel van 7 augustus 2002 was gebaseerd. Artikel 59 kent immers slechts twee categorieën vreemdelingen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden om de bewaring in strijd met de Vw 2000, dan wel bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.

Grief 2 faalt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

273-385.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon