Uitspraak 201703284/1/A1


Volledige tekst

201703284/1/A1.
Datum uitspraak: 27 juni 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Bravahold N.V., gevestigd te Sassenheim, gemeente Teylingen,
2. het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,
appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 23 februari 2017 in zaak nrs. 17/391 en 17/390 in het geding tussen:

Bravahold,

en

Omgevingsdienst West-Holland (lees: het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een winkelruimte en het aanleggen van een uitweg op het perceel aan de overzijde van de [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 december 2016 heeft het college, voor zover nu van belang, het door Bravahold daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2015 gewijzigd in die zin dat een omgevingsvergunning wordt verleend met inachtneming van de aangepaste tekeningen en heeft het een aanvullende voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden.

Bij uitspraak van 23 februari 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door Bravahold daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Bravahold hoger beroep ingesteld.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bravahold en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bravahold heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2018, waar Bravahold, vertegenwoordigd door mr. R.J.G. Bäcker en mr. A.M.M. Huijg, beiden advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Norde, advocaat te Leiden, en [gemachtigde A], zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te Den Bosch, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het bouwen van een winkelruimte waarin een Albert Heijn-supermarkt zal worden gevestigd en het aanleggen van een in- en uitweg. Het te realiseren gebouw zal bestaan uit een begane grondlaag en een verdieping. Op de begane grondlaag zijn de supermarkt en het magazijn voorzien. Op de verdieping is kantoorruimte en werkruimte voor de supermarkt en een kantine voor het personeel van de supermarkt voorzien. Bravahold is eigenaresse van een woon- en winkelcomplex op het naastgelegen perceel. Bravahold verhuurt dit complex aan winkelbedrijven en bewoners. Een van de huurders exploiteert in dit complex een Dirk van den Broek-supermarkt.

2. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Noordwijk Binnen", waarin het perceel de bestemmingen "Centrum" en "Verkeer" heeft en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1".

3. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Bij uitspraak van 2 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1465, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van 7 juli 2015 en 6 december 2016 geschorst.

Beoordeling hoger beroepen

4. Bravahold betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels die gelden voor de op het perceel rustende bestemming "Centrum". Volgens Bravahold is het in strijd met artikel 6, lid 6.2.2, van de planregels dat op de tweede bouwlaag kantoor- en werkruimtes voor de supermarkt zijn voorzien.

Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de kantoor- en werkruimtes bijbehorende bouwwerken zijn, als bedoeld in artikel 1, lid 1.16, van de planregels. Het college stelt dat artikel 6, lid 6.2.2, van de planregels alleen een beperking bevat met betrekking tot het bouwen van hoofdgebouwen. Volgens het college zijn kantoren en winkels op de verdieping niet toegestaan bij het bouwen van hoofdgebouwen, maar geldt deze beperking volgens het college niet voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de zin van het bestemmingsplan, niet zijnde een aan- of uitbouw of bijgebouw, zoals hier aan de orde.

4.1. Artikel 6, lid 6.1, van de planregels luidt: "De voor "Centrum" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. aan-huis-verbonden beroep en bedrijf;

c. winkels, waaronder supermarkten;

d. kantoren;

e. dienstverlening;

f. maatschappelijke voorzieningen;

g. bedrijven zoals bedoeld in artikel 27.2 van deze regels;

h. horecabedrijven in de categorie 2 ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 2";

i. een parkeergarage ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage";

j. een onderdoorgang ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang";

met daarbij behorende:

k. erven en open terreinen zoals parkeer-, opslag-, laad- en losplaatsen."

Lid 6.2.2, aanhef en onderdelen a en b, luidt: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b. winkels, kantoren, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, bedrijven en horeca zijn uitsluitend toegestaan op de begane grondlaag en eventueel daaronder gelegen kelderverdiepingen.

Artikel 1, lid 1.32, luidt: "In deze regels wordt verstaan onder "hoofdgebouw": gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is."

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de realisering van een supermarkt met magazijn op de begane grond in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ter zitting van de Afdeling heeft [vergunninghouder] toegelicht dat de ruimtes op de verdieping zijn bestemd als kantine en een vergaderruimte voor het personeel, alsmede het kantoor van de manager. De bruto vloeroppervlakte van de begane grond is 1.552 m² en de bruto vloeroppervlakte van de verdieping is 134 m².

Naar het oordeel van de Afdeling maken de bijbehorende ruimtes zoals hier aan de orde integraal onderdeel uit van de voorziene supermarkt en zijn deze bijbehorende ruimtes in dit geval noodzakelijk voor de verwezenlijking van de bestemming. Daarbij betrekt de Afdeling de omvang van de supermarkt. Naar het oordeel van de Afdeling betoogt Bravahold terecht dat het gehele bouwplan voorziet in de realisering van een hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, lid 1.32 van de planregels, in dit geval een supermarkt met bijbehorende ruimtes. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling daarom van oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 6, lid 6.2.2, aanhef en onder b, van de planregels gelezen in verbinding met lid 6.1, aanhef en onder c.

Het betoog van Bravahold slaagt. Het betoog van het college faalt.

5. Aangezien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en de rechtbank dat niet heeft onderkend, kan de uitspraak, voor zover aangevallen, niet in stand blijven. Ook het besluit op bezwaar van 6 december 2016 komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, dient het college te bezien of het bereid is van het ter plaatse geldende bestemmingsplan af te wijken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met het oog op een efficiënte geschillenbeslechting gaat de Afdeling hierna in op de andere gronden van Bravahold. Met betrekking tot de betogen van Bravahold over strijd met het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening, gaat de Afdeling alleen over tot het bespreken van de betogen zoals weergegeven onder 9 en onder 10. Voor het bespreken van de overige betogen in dat verband ziet de Afdeling op dit moment geen aanleiding, gelet op hetgeen wordt overwogen onder 9.2 en in verband daarmee de mogelijk aan te passen inrichting van het parkeerterrein en de uitweg en een eventuele nieuwe beoordeling door de brandweer.

6. Bravahold betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de wijziging van het bouwplan niet van ondergeschikte aard is. Volgens Bravahold zijn het aanzicht en de uiterlijke verschijningsvorm zeer aanzienlijk gewijzigd. Ook zijn er bouwtechnische wijzigingen doorgevoerd die leiden tot andere vluchtwegen, andere brandcompartimentering en andere opstelplaatsen. Volgens Bravahold kan niet worden uitgesloten dat derden door deze wijzigingen in hun belangen worden geschaad.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2530) per concreet geval moet worden beoordeeld of een wijziging van een bouwplan van ondergeschikte aard is. Anders dan Bravahold betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingen, die met name zien op het aanzicht van de gevels en de vorm van het dak, niet van ondergeschikte aard zijn en dat een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend. De rechtbank heeft in dit geval terecht van belang geacht dat hoewel de uiterlijke verschijningsvorm van het bouwplan is veranderd, de situering en de daarmee verband houdende ruimtelijke uitstraling van dit gebouw vrijwel ongewijzigd is gebleven. In dat verband overweegt de Afdeling dat de totale massa van de bebouwing nagenoeg gelijk is gebleven en dat de hoogten van de gevels nauwelijks afwijken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank de wijzigingen in verhouding tot het hele bouwplan, ook als die worden bezien in relatie tot de omgeving terecht van beperkte aard en omvang geacht. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat het gebruik van het bouwwerk ongewijzigd blijft. Bravahold heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat derden door de wijziging van het bouwplan, althans door het niet indienen van een nieuwe aanvraag, worden geschaad. Daarbij betrekt de Afdeling de brief van de brandweer Hollands Midden van 14 februari 2017 waarin de brandweer heeft gesteld dat het gewijzigde bouwplan niet leidt tot een ander advies.

Het betoog faalt.

7. Bravahold betoogt tevens dat de rechtbank haar ten onrechte het relativiteitsvereiste heeft tegengeworpen met betrekking tot haar betoog over de funderingsvoorschriften. In dat verband betoogt Bravahold dat zij vreest voor een gebrek aan inzicht en toezicht op de fundering, die een probleem zal opleveren voor de ter plaatse aanwezige archeologische waarden. Volgens Bravahold is het funderingsplan door het college niet goedgekeurd in verband met het risico op verstoring van deze waarden.

7.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Artikel 21, lid 21.1, van de planregels luidt: "De voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden."

Lid 21.2.2 luidt: Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in lid 20.2.1. blijkt dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden regels.

7.2. In beroep bij de rechtbank betoogde Bravahold dat het bouwplan in strijd is met de bestemming "Waarde - Archeologie 1", omdat het besluit alleen had mogen worden genomen indien het college van oordeel zou zijn dat is voldaan aan artikel 21, lid 21.2.2, van de planregels. Aangezien de ondergrond van het bouwplan archeologische waarden bevat en het funderingsplan niet akkoord is bevonden door het college, is het bouwplan volgens Bravahold in strijd met het bestemmingsplan.

7.3. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Artikel 21 van de planregels strekt, zoals ook volgt uit lid 21.1, ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De rechtbank heeft onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:309, terecht overwogen dat het behoud van archeologische waarden een algemeen belang is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die norm in dit geval kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van Bravahold. Voor Bravahold gaat het in zoverre immers om het belang om gevrijwaard te blijven van de ruimtelijke invloed van de voorziene supermarkt. Voor zover Bravahold in dit verband stelt dat het bouwplan niet is voorzien van een fundering, althans niet kenbaar, heeft het college onder verwijzing naar tekening B2 van 14 april 2016 gesteld dat een fundering op staal wordt gerealiseerd. Voor zover Bravahold heeft gesteld dat het voorziene bouwplan tegen haar pand wordt gebouwd, heeft [vergunninghouder] gesteld dat het voorziene gebouw los komt te staan van dat van Bravahold. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het beroep op artikel 21 van de planregels ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het besluit van 6 december 2016, zodat de rechtbank terecht niet is overgegaan tot een inhoudelijke bespreking van de gronden van Bravahold over de archeologische waarden.

Het betoog faalt.

8. Bravahold betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college een gebrekkig voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Daartoe voert zij aan dat de verbreding van de laad- en losruimte geen onderdeel is van de aanvraag en dat het voorschrift is gericht aan de gemeente Noordwijk die geen partij is bij de omgevingsvergunning. Volgens Bravahold dient het voorschrift te worden vernietigd en leidt dit ertoe dat het bouwplan niet voorziet in voldoende laad- en losruimte. De uitleg die de rechtbank geeft aan het voorschrift is volgens Bravahold niet juist.

8.1. Aan de Raadhuisstraat bevindt zich een laad- en losruimte die ten tijde van het besluit van 6 december 2016 alleen werd gebruikt tussen 9:00 en 11:00 uur. Buiten die tijden zijn er vier parkeerplaatsen. De laad- en losruimte ten behoeve van het bouwplan is voorzien op deze bestaande laad- en losruimte, waardoor de aanwezige vier parkeerplaatsen vervallen. Die parkeerplaatsen worden volgens het besluit van 6 december 2016 gecompenseerd. Voorts zal in de laad- en losruimte ten behoeve van het bouwplan worden voorzien door de ruimte met 3 m te verbreden. Aan het besluit van 6 december 2016 heeft het college als voorschrift verbonden "dat de gemeente, voordat de vergunde winkel in gebruik wordt genomen, de bestaande laad- en losruimte gelegen aan de Raadhuisstraat permanent heeft gemaakt en verbreed naar 3 meter". Ter zitting van de Afdeling heeft het college in dat verband toegelicht dat voor het permanent maken van de laad- en losruimte een verkeersbesluit zal worden genomen.

De rechtbank heeft overwogen dat het voorschrift tot [vergunninghouder] is gericht in die zin dat bedoeld is dat de vergunde winkel pas door [vergunninghouder] in gebruik mag worden genomen nadat de gemeente Noordwijk de bestaande laad- en losruimte gelegen aan de Raadhuisstraat permanent heeft gemaakt en heeft verbreed naar 3 m. Naar het oordeel van de Afdeling kan het voorschrift niet anders worden begrepen dan de invulling die de rechtbank daaraan heeft gegeven. Zoals Bravahold terecht betoogt, is de gemeente Noordwijk immers geen partij bij de omgevingsvergunning. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de laad- en losruimte geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, aangezien deze ruimte is aangegeven op de bouwtekeningen. De Afdeling heeft ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet aannemelijk is dat het bouwplan door het voorschrift nimmer kan worden verwezenlijkt.

Het betoog faalt.

9. Bravahold betoogt dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2012. In dat verband wijst Bravahold in het bijzonder op artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012, omdat de verbindingsweg onvoldoende bereikbaar is voor hulpdiensten.

9.1. Artikel 6.30 van het Bouwbesluit 2012 luidt voor zover hier van belang:

"1. Een bouwwerk heeft een toereikende bluswatervoorziening. Dit geldt niet indien de aard, ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist.

3. De afstand tussen een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 m."

Artikel 6.37 luidt voor zover hier van belang:

"1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

3. Tenzij het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaalt heeft een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid:

a. een breedte van ten minste 4,5 meter."

9.2. De brandweer Hollands Midden heeft op 12 juni 2015 uit het oogpunt van brandveiligheid geadviseerd een aantal voorwaarden aan de omgevingsvergunning te verbinden. Aan het besluit van 7 juli 2015 is de voorwaarde verbonden dat de verbindingsweg over het parkeerterrein naar de opstelplaats voor brandweervoertuigen minimaal dient te voldoen aan de eisen zoals gesteld in artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012.

De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op het meest recente advies van de brandweer van 14 februari 2017, het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit 2012. In het advies, dat dateert van na het besluit op bezwaar van 6 december 2016, is vermeld dat in beginsel wordt voldaan aan de doelstellingen van artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 en de voorwaarde die in de omgevingsvergunning van 7 juli 2015 is opgenomen. In het advies van 14 februari 2017 is ook vermeld dat de overschrijdingen van de afstanden van artikel 6.30, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 acceptabel zijn. Tevens is vermeld dat niet duidelijk is of het blusvoertuig ter plaatse van een aantal parkeervakken voldoende vrije ruimte heeft om de bocht te kunnen nemen naar de uitrit, wanneer gebruik wordt gemaakt van de rondrijdmogelijkheid op het parkeerterrein. Verder is vermeld dat de brandweer niet tot een ander advies komt dan dat van 12 juni 2015.

Uit de brief van de brandweer van 14 februari 2017 kan worden afgeleid dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6.30, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 en het bepaalde in artikel 6.37, derde lid, aanhef en onder a, aangezien niet wordt voldaan aan de daarin voorgeschreven afstanden. Het college heeft in het besluit van 6 december 2016 geen aanvullende voorwaarden met betrekking tot de brandveiligheid verbonden. Ook heeft het artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 niet toegepast. Bravahold betoogt daarom terecht dat het bouwplan op deze onderdelen in strijd is met het Bouwbesluit 2012.

Het betoog slaagt.

10. Bravahold betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de bouwverordening en verwijst in dat verband naar 17 parkeerplaatsen die aan het naast het perceel gelegen winkel- en appartementencomplex - niet zijnde het complex van Bravahold - zijn toebedeeld. Volgens Bravahold zijn deze parkeerplaatsen niet gelegen op een thans braakliggend terrein en moeten deze parkeerplaatsen worden gecompenseerd. Volgens Bravahold rust de verplichting tot het instandhouden van deze parkeerplaatsen volgens de voor genoemd winkel- en appartementencomplex verleende vergunning ook op de percelen die thans tot het bouwplan behoren en dienen deze daarom te worden gecompenseerd. Bravahold stelt dat het in strijd is met de zogenoemde anti-dubbeltelregeling om de gronden waarop de 17 parkeerplaatsen zijn gelegen in aanmerking te nemen bij dit bouwplan.

10.1. Vast staat dat bij de verlening van de bouwvergunning voor het winkel- en appartementencomplex aan de Kerkstraat 52-54 in 1989 de voorwaarde is gesteld dat tenminste 17 parkeerplaatsen op eigen terrein moesten worden gerealiseerd en in stand gehouden. [vergunninghouder] heeft dat terrein in eigendom verkregen of zal het in eigendom verkrijgen

- daarover is geen verschil van mening - zonder kettingbeding en zonder dat op haar de kwalitatieve verplichting rust om de parkeerplaatsen in stand te houden voor het bestaande winkel- en appartementencomplex. Ter zitting van de Afdeling heeft [vergunninghouder] in dat verband toegelicht dat de (voormalige) eigenaar van het terrein met de eigenaren van het complex aan de Kerkstraat een regeling heeft getroffen.

Het bouwplan voorziet in de realisering van 90 parkeerplaatsen op het eigen terrein, waaronder het terrein waarop nu 17 parkeerplaatsen zijn gelegen voor het complex aan de Kerkstraat. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat [vergunninghouder] niet is gehouden tot naleving van de voorwaarde van de vergunning van 1989. Die verplichting is immers niet aan haar gericht. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat [vergunninghouder] niet is gehouden tot compensatie van de 17 parkeerplaatsen voor het complex aan de Kerkstraat. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de voorziene parkeerplaatsen voor dit bouwplan niet kunnen worden gerealiseerd.

Ook het betoog van Bravahold dat het bouwplan in strijd is met de in artikel 26 van de planregels opgenomen anti-dubbeltelregeling, faalt. Hier is geen situatie aan de orde als bedoeld in de anti-dubbeltelregeling, alleen al omdat voor het complex aan de Kerkstraat in 1989 een vergunning is verleend onder een ander bestemmingsplan en het bestemmingsplan daarna meermaals is gewijzigd.

Het betoog faalt.

Slot en conclusie

11. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. Het hoger beroep van Bravahold is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 6 december 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen op het door Bravahold gemaakte bezwaar. De Afdeling zal bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 7 juli 2015 schorsen tot zes weken nadat het college het besluit op bezwaar bekend heeft gemaakt.

12. Het college dient ten aanzien van Bravahold op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van Bravahold N.V. gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2017 in zaken nrs. 17/391 en 17/390, voor zover aangevallen;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 6 december 2016, kenmerk 2016129581;

VI. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 7 juli 2015, kenmerk HZ_WABO-20140358, tot zes weken nadat het college het nieuw te nemen besluit op het door Bravahold gemaakte bezwaar bekend heeft gemaakt;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij Bravahold N.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan Bravahold N.V. het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 834,00 (zegge: achthonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Smulders-Wijgerde
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2018

672.