Uitspraak 201704714/1/A2


Volledige tekst

201704714/1/A2.
Datum uitspraak: 17 januari 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Vlaardingen,
2. [appellant sub 2], wonend te Vlaardingen,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2017 in zaken nrs. 16/7764 en 16/7767 in het geding tussen:

[appellant sub 1],
[appellant sub 2],

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant sub 1] over 2015 definitief vastgesteld op nihil, het kindgebonden budget van [appellant sub 1] over 2015 definitief vastgesteld op € 727,00, de huurtoeslag van [appellant sub 1] over 2015 definitief vastgesteld op nihil en € 937,00, € 667,00 en € 1.963,00 aan teveel betaalde voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag teruggevorderd.

Bij besluit van 22 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 oktober 2016 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2017, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 2] is de toeslagpartner van [appellant sub 1]. De gemeente Rotterdam heeft [appellant sub 2] in 2013 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (hierna: het Bbz) een renteloze geldlening ten bedrage van € 7.366,00 verstrekt, die in 2015 is omgezet in een bedrag om niet (hierna: de schenking). In de aanslag inkomstenbelasting van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over 2015 is dit bedrag meegerekend en is het verzamelinkomen vastgesteld op een bedrag van € 35.695,00. Op basis van dat verzamelinkomen heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 30 september 2016 voor 2015 de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag van [appellant sub 1] definitief berekend en vastgesteld, en de teveel betaalde voorschotten, die waren gebaseerd op een toetsingsinkomen van € 25.905,00, van [appellant sub 1] teruggevorderd. [appellant sub 1] heeft tegen het besluit van 30 september 2016 bezwaar gemaakt.

2. Het besluit van 30 september 2016 is gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2016. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de inkomsten op grond van het Bbz in 2013 zijn betaald als een lening en in dat jaar daarom niet als inkomen zijn meegenomen. In 2015 is de lening omgezet in een schenking. Dit betekent dat de lening niet meer hoeft te worden terugbetaald en op dat moment derhalve het inkomen wordt verhoogd. Op 24 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellant sub 2] een brief gezonden waarin hem de strekking is meegedeeld van het besluit van 22 oktober 2016.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] tegen de brief van 24 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief slechts een mededeling van het ten aanzien van [appellant sub 1] genomen besluit betreft en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft voorts het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 oktober 2016 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) verplicht is uit te gaan van het toetsingsinkomen zoals dat is vastgesteld door de inspecteur voor de inkomstenbelastingen. De Belastingdienst/Toeslagen is daarom van een juist toetsingsinkomen van [appellant sub 1] en haar toeslagpartner, [appellant sub 2], uitgegaan, ook al is daarbij rekening gehouden met een in 2013 op grond van het Bbz aan [appellant sub 2] betaalde lening die in 2015 is omgezet in een schenking. De rechtbank heeft verder overwogen dat het feit dat de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 is aangepast en op grond daarvan in het geval van papieren inkomen, zoals hier aan de orde, is gekozen voor een eindheffing, in dit geval geen uitkomst biedt, omdat die regeling eerst per 1 januari 2017 (lees: 1 april 2017) in werking is getreden en geen terugwerkende kracht heeft. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de in een bedrag om niet omgezette lening geen bijzonder inkomen is als bedoeld in artikel 2b, eerste lid, van het Besluit huurtoeslag (hierna: het Bht).

Het hoger beroep van [appellant sub 2]

4. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] tegen de brief van 24 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard. [appellant sub 2] heeft geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan deze niet-ontvankelijkverklaring onjuist zou zijn. Het door hem ingestelde hoger beroep is derhalve ongegrond.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

5. De voor deze uitspraak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen van het juiste toetsingsinkomen is uitgegaan door voor het berekeningsjaar 2015 rekening te houden met een in 2013 op grond van het Bbz aan [appellant sub 2] uitbetaalde lening die in 2015 is omgezet in een bedrag om niet. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is dit in strijd met het doel en de strekking van de wet, nu het bedrag al in 2013 is betaald en zij er derhalve in dat jaar profijt van hebben gehad.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0487), is de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir en artikel 21, aanhef en onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bij de bepaling van de draagkracht gehouden het verzamelinkomen zoals door de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld, in aanmerking te nemen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8 van de Awir (Kamerstukken II 2004/2005, 29 764, nr. 3, blz. 41) is het verzamelinkomen dat in de aanslag is opgenomen het toetsingsinkomen, zelfs al zou dit niet overeenstemmen met het volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 te berekenen verzamelinkomen. De uitvoerende instantie en de bestuursrechter hoeven zich daardoor niet in te laten met de vraag of het verzamelinkomen wel op het juiste bedrag is vastgesteld. Pas als het in de aanslag opgenomen verzamelinkomen is gewijzigd, heeft dit gevolgen voor het toetsingsinkomen. Dit dient een eenvoudige en doelmatige uitvoering, aldus de memorie van toelichting. Gelet op het vorenstaande kan in deze procedure niet aan de orde komen of de inspecteur van de Belastingdienst bij het vaststellen van het verzamelinkomen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte rekening heeft gehouden met de in 2013 op grond van het Bbz aan [appellant sub 2] verstrekte lening die in 2015 in een schenking is omgezet. Dit dient aan de orde worden gesteld in bezwaar en beroep tegen het besluit tot vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting 2015.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de in 2015 in een schenking omgezette lening die in 2013 op grond van het Bbz aan [appellant sub 2] is verstrekt als bijzonder inkomen aan te merken en buiten beschouwing te laten. Het gaat om een nabetaling van inkomen dat betrekking heeft op voorgaande jaren, aldus [appellant sub 1].

7.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1512) geoordeeld dat de omzetting in 2015 van de in 2013 uitbetaalde lening op grond van het Bbz in een bedrag om niet geen nabetaling van inkomsten over een eerder jaar is als bedoeld in artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bht, omdat de aanspraak op het bedrag eerst in 2015 is ontstaan. Het betreft geen bedrag waar [appellant sub 2], achteraf bezien, in een eerder jaar al aanspraak op had en dat in 2015 is nabetaald. De omgezette uitkering is om die reden geen bestanddeel van het toetsingsinkomen dat op grond van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bht op verzoek bij de bepaling van de draagkracht voor de huurtoeslag buiten beschouwing blijft.

Verder bieden de Awir, de Wet op het kindgebonden budget en de Wet op de zorgtoeslag geen grondslag om bij de bepaling van de draagkracht voor het kindgebonden budget en de zorgtoeslag een inkomensbestanddeel buiten beschouwing te laten. Buiten de specifiek in het Bht genoemde gevallen, bestaat geen wettelijke grondslag om bij de vaststelling van de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget af te wijken van het verzamelinkomen zoals door de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld.

Gelet op het voorgaande biedt de stelling dat de schenking slechts een papieren inkomen is zonder verhoging van de draagkracht van [appellant sub 1] geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen de schenking buiten beschouwing had moeten laten.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanpassing van artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 haar niet kan baten nu die aanpassing per 1 januari 2017 (lees: 1 april 2017) in werking is getreden en daaraan geen terugwerkende kracht is toegekend. Zij voert aan dat deze regeling, op grond waarvan papieren inkomen buiten beschouwing wordt gelaten bij de vaststelling van het verzamelinkomen, ook moet worden toegepast op eerdere jaren.

8.1. De wetgever heeft er - blijkens artikel XXVII van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns (Stcrt. 2015, nr. 47716) - uitdrukkelijk van afgezien aan de wijziging van artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 terugwerkende kracht toe te kennen. Gelet hierop staat de rechtszekerheid er aan in de weg dat in dit geval aan de wijziging van genoemde bepaling, die op 1 april 2017 in werking is getreden, terugwerkende kracht wordt toegekend. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen voorts toegelicht dat artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 zich richt tot de inspecteur van de Belastingdienst. Dit betekent dat de inspecteur daaraan toepassing dient te geven en niet de Belastingdienst/Toeslagen. Op het moment dat er voor de inspecteur aanleiding bestaat het toetsingsinkomen te wijzigen, dan volgt de Belastingdienst/Toeslagen hem automatisch. Mocht in de toekomst derhalve blijken dat de schenking buiten beschouwing had moeten worden gelaten bij het vaststellen van het toetsingsinkomen, dan leidt het door de inspecteur alsnog lager vaststellen van het toetsingsinkomen automatisch tot een aanpassing van de hoogte van de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag over 2015.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Pans w.g. Wieland
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018

502.


BIJLAGE

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…].

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

[…].

Wet op de zorgtoeslag

Artikel 1

[…].

2. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

Wet op het kindgebonden budget

Artikel 1

[…].

2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

[…]

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 1

1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.

[…].

Artikel 2

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

[…].

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

[…]

Artikel 7

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…].

Artikel 8

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…].

Besluit op de huurtoeslag

Artikel 2b

1. Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

[…];

b. nabetalingen van inkomsten als bedoeld in afdeling 3.3 en 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

[…].