Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200601545/1

Uitspraak 200601545/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AY6461
Datum uitspraak
9 augustus 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200601545/1.
Datum uitspraak: 9 augustus 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 02/28317 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 25 januari 2006 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 januari 2006, verzonden op 27 januari 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Desgevraagd heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief van
31 maart 2006 de aan het individueel ambtsbericht van 28 januari 2002 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag liggende stukken overgelegd, ten aanzien waarvan hij op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft verzocht te bepalen dat uitsluitend de Afdeling kennis mag nemen van passages van een aantal stukken
(genummerd 1 en 2) en de gehele inhoud van een stuk (genummerd 3).

Op 18 april 2006 heeft de Afdeling in een andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van kennisneming gerechtvaardigd is, behoudens ten aanzien van een stuk dat van na de aangevallen uitspraak dateert en daarom niet bij de beoordeling van het hoger beroep wordt betrokken.

De minister en de vreemdeling hebben bij brieven van onderscheidenlijk 25 en 26 april 2006 toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Nu in hoger beroep niet in geschil is dat de minister in dit geval kennis heeft genomen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, heeft de minister geen belang bij grief 1 ten betoge dat de rechtbank heeft miskend dat hij daartoe niet was gehouden.

Deze grief faalt.

2.2. In de grieven 2 en 3, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat, nu uit de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken niet blijkt dat de vertrouwenspersoon kan instaan voor de betrouwbaarheid van informatie afkomstig van derden, niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de ingewonnen informatie objectief en onpartijdig is, heeft miskend dat de Minister van Buitenlandse Zaken niet hoeft te bewijzen dat de ingeschakelde informanten objectief en onpartijdig zijn.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 december 2001, in zaak no. 200103977/1; AB 2001, 359), dient een ambtsbericht op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag bij de besluitvorming op asielaanvragen op die informatie worden afgegaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

De rechtbank heeft uit de enkele omstandigheid dat niet blijkt dat de vertrouwenspersoon heeft verklaard dat hij voor de betrouwbaarheid van informatie afkomstig van derden kan instaan, dan ook ten onrechte geconcludeerd dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest en de minister daarom bij de besluitvorming op de aanvraag niet op de informatie uit het ambtsbericht heeft mogen afgaan.

Deze grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.4. Hetgeen de vreemdeling overigens in beroep heeft aangevoerd, biedt geen concrete aanknopingspunten in vorenbedoelde zin, zodat ook daarin geen grond is gelegen voor het oordeel dat bij het nemen van het in beroep bestreden besluit niet van de juistheid of volledigheid van de in het ambtsbericht vervatte informatie mocht worden uitgegaan. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de minister het relaas, onder verwijzing naar die informatie, niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen oordelen. De door de vreemdeling in beroep overgelegde medische stukken, die dateren van na het in beroep bestreden besluit, geven, zoals de minister in zijn verweerschrift heeft uiteengezet, onvoldoende informatie over de omstandigheden, waaronder zijn lichamelijke klachten zijn ontstaan en kunnen reeds daarom niet leiden tot een ander oordeel.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 25 januari 2006 in zaak

no. AWB 02/28317;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006

91-418.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon