Uitspraak 200602001/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AW7518
- Datum uitspraak
- 25 april 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij onderscheiden besluiten van 22 februari 2006 zijn [wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna: de vreemdelingen) in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200602001/1.
Datum uitspraak: 25 april 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/9602 en 06/9606 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 8 maart 2006 in de gedingen tussen:
[wederpartij A] en [wederpartij B],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 22 februari 2006 zijn [wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna: de vreemdelingen) in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 8 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de opheffing van de maatregelen tot vrijheidsontneming bevolen en schadevergoedingen toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 22 maart 2006 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende reden bestaat om aan te nemen dat de vreemdelingen zich aan hun uitzetting zullen onttrekken zodat hij zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstellingen vordert.
2.2. Aan de inbewaringstellingen is ten grondslag gelegd dat de vreemdelingen niet beschikken over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), onvoldoende duurzame middelen van bestaan hebben en zich niet hebben gehouden aan hun vertrektermijn.
2.3. De rechtbank heeft aan de door de minister bestreden overweging ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, de vreemdelingen beschikken over identiteitsdocumenten waarmee hun identiteit afdoende wordt aangetoond, van concrete pogingen tot onttrekking aan de uitzetting niet is gebleken en zij tezamen met hun echtgenoot respectievelijk vader over voldoende inkomen beschikken.
2.4. De minister klaagt terecht dat de door de vreemdelingen overgelegde documenten geen documenten in de zin van artikel 4.21 van het Vb 2000 zijn. Dat, naar de rechtbank heeft overwogen, de identiteit van de vreemdelingen anderszins afdoende wordt aangetoond, wat hier ook van zij, maakt dit niet anders. De minister klaagt eveneens terecht dat het inkomen waar de vreemdelingen tezamen met hun echtgenoot respectievelijk vader over stellen te beschikken, niet aan te merken valt als voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in de paragrafen A2/4.3 en A5/5.3.9.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Bepalend is namelijk het inkomen waarover de vreemdeling zelfstandig beschikt. Voorts is niet bestreden dat de vreemdelingen niet aan de op hen rustende vertrekplicht hebben voldaan.
Aldus heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstellingen vordert. De grieven slagen.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de bij de rechtbank bestreden besluiten beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen en hiervoor nog niet besproken beroepsgrond.
2.6. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde zulks vordert, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, in bewaring worden gesteld.
Ingevolge artikel 5.3 van het Vb 2000 wordt de maatregel, waarbij de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 wordt opgelegd, met redenen omkleed.
Volgens paragraaf A5/5.3.3.3. van de Vc 2000, voor zover thans van belang, kan er grond zijn om bewaring niet of niet langer toe te passen, indien met een lichter middel kan worden volstaan.
2.7. Gelet op het overwogene onder 2.4. hebben de vreemdelingen niet binnen de bij de wet gestelde termijn uit eigen beweging Nederland verlaten, hebben zij geen voldoende middelen van bestaan en beschikken zij niet over enig document, als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Voorts hadden de vreemdelingen ten tijde van de besluiten geen rechtmatig verblijf. Bij hun gehoren hebben de vreemdelingen geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd ten betoge dat die de maatregel in hun geval onevenredig bezwarend maken.
Dat de vreemdelingen in de gemeentelijke basisadministratie zijn ingeschreven en op 28 februari 2006 aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier hebben ingediend, geeft onder die omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had dienen te volstaan met een lichter middel dan bewaring. De minister heeft het risico dat de vreemdelingen zich niet meer zouden melden, zodra hun uitzetting in zicht kwam, niet hoeven aanvaarden.
2.8. Nu uit het vooroverwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgrond geen aanleiding geeft voor een ander oordeel, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de inbewaringstellingen ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen van 8 maart 2006 in de zaken nos. AWB 06/9602 en 06/9606;
III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond;
IV. wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2006
332-479.