Uitspraak 200606370/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AZ1400
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 augustus 2006 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200606370/1
Datum uitspraak: 24 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/37046 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 18 augustus 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2006 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 augustus 2006, verzonden op 21 augustus 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 5 september 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.
Bij brief van 3 oktober 2006 heeft de minister een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2006, waar appellant, in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H. Straatman, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Hetgeen in het hoger-beroepschrift onder grief 1 is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.2. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank, door te oordelen dat nader onderzoek naar de reden voor opheffing van de eerdere maatregel van bewaring niet aan de orde is, heeft miskend dat de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of in dit geval zicht op uitzetting niet ontbreekt.
2.2.1. Niet in geschil is dat appellant eerder in vreemdelingenbewaring is gesteld, die bewaring laatstelijk in april 2003 is opgeheven en de reden van die opheffing ten tijde van de behandeling van het tegen de inbewaringstelling van 1 augustus 2006 ingestelde beroep niet bekend was.
2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 mei 2005 in zaak no. 200503257/1, JV 2005/282), behoort de rechtbank, indien een eerdere bewaring is opgeheven omdat geen zicht op uitzetting bestaat, bij een volgende inbewaringstelling te onderzoeken of, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, sprake is van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt.
Voor een dergelijk vergelijkend onderzoek bestaat in beginsel evenwel geen aanleiding, indien sinds het tijdstip van de opheffing van de eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, van een voor de beoordeling van het zicht op uitzetting relevante samenhang met de reden van de opheffing van de eerdere maatregel geen sprake meer is.
2.2.3. Gelet op het tijdsverloop van meer dan drie jaar tussen de laatste opheffing van de eerdere vreemdelingenbewaring en de oplegging van de thans ter toetsing voorliggende maatregel is sprake van een lange periode als hiervoor bedoeld. Bijzondere omstandigheden waarom de rechtbank niettemin nader onderzoek naar de eerdere bewaring had moeten verrichten, zijn niet naar voren gebracht. Er bestond derhalve voor de rechtbank geen aanleiding om zodanig onderzoek te doen. Grief 2 faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Snijders
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006
279