Uitspraak 200508779/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AV1015
- Datum uitspraak
- 25 januari 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200508779/1.
Datum uitspraak: 25 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/326 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 22 september 2005 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 september 2005, verzonden op 27 september 2005, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 november 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 11 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de niet inwilliging van een eerder ingediende asielaanvraag ongegrond verklaard.
2.2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten volgens vaste jurisprudentie worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen ná het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.
2.3. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet met vrucht kan worden gesteld dat de vreemdeling de bij de nieuwe aanvraag overgelegde oproep tot opkomst voor vervulling van de militaire dienstplicht van 7 april 1999 en het verzoek van 9 maart 2001 om de vreemdeling strafrechtelijk te vervolgen wegens het geen gehoor geven aan deze oproep eerder had kunnen en derhalve had moeten aanleveren, nu de vreemdeling onbetwist heeft aangevoerd dat hij alles in het werk heeft gesteld om deze documenten ten spoedigste aan de minister aan te bieden nadat hij van deze documenten op de hoogte was geraakt. Volgens de minister heeft de rechtbank door aldus te overwegen, miskend dat het aan de vreemdeling was om, aan de hand van concrete omstandigheden, aannemelijk te maken dat hij tijdens de eerdere procedure van het bestaan van deze documenten niet op de hoogte kon zijn, dat hetgeen de vreemdeling daartoe heeft aangevoerd niet toereikend is en dat uit het besluit van 8 december 2004 en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat wel wordt betwist dat de vreemdeling alles in het werk heeft gesteld om bedoelde documenten ten spoedigste aan te bieden.
2.3.1 Tijdens het in de eerdere asielprocedure gehouden nader gehoor heeft de vreemdeling verklaard dat er in zijn land van herkomst een procedure tegen hem aanhangig was en dat zijn vader inmiddels wel iets van de militaire rechtbank zou hebben ontvangen en dit zou kunnen opsturen. In het nader gehoor naar aanleiding van zijn nieuwe aanvraag heeft de vreemdeling verklaard dat hij regelmatig telefonisch contact had met zijn vader. Onder deze omstandigheden kon van de vreemdeling worden verwacht dat hij bij zijn vader zou informeren naar het bestaan van documenten die zijn asielrelaas ondersteunen. Dat geldt temeer nu de minister de vreemdeling er bij herhaling op heeft gewezen dat dergelijke documenten van groot belang zijn. De rechtbank heeft mitsdien miskend dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling niet eerder op de hoogte had kunnen zijn van bedoelde documenten en de vreemdeling deze derhalve reeds in de vorige asielprocedure had kunnen en moeten overleggen. Aldus is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in zoverre geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
De grieven slagen.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Grief 3 behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.5. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 22 september 2005 in zaak no. AWB 05/326;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen kosten vast op € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Beurmanjer-de Lange
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006
32-491.