Uitspraak 200509861/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AW1755
- Datum uitspraak
- 31 maart 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 december 2004 heeft appellant sub 2 (hierna: de minister) een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200509861/1.
Datum uitspraak: 31 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1],
2. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
appellanten,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/57197 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 november 2005 in het geding tussen:
appellant sub 1
en
appellant sub 2.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2004 heeft appellant sub 2 (hierna: de minister) een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 november 2005, verzonden op 4 november 2005, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben onderscheidenlijk de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 december 2005, en de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 19 december 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
De minister is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In het hoger beroep van de vreemdeling.
2.2. Hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd in diens hoger-beroepschrift en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.
2.4. In het hoger beroep van de minister.
2.5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.
Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt, indien artikel 1 (F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 21 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag) aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.
2.6. Ingevolge artikel 1 (A), onder 2, van het Vluchtelingenverdrag geldt voor de toepassing van dit verdrag als "vluchteling" elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
Ingevolge artikel 1 (F) zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
2.7. Voor de beoordeling of aan een vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, hanteert de minister volgens paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) de zogenoemde 'personal and knowing participation test'. Deze komt er op neer dat onderzocht wordt of ten aanzien van de betrokken vreemdeling moet worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het/de desbetreffende misdrijf/misdrijven (knowing participation) én op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). Volgens paragraaf C1/5.13.3.3.1 van de Vc 2000 is van 'personal and knowing participation' in evenbedoelde zin ook sprake, indien betrokkene behoorde tot een categorie van personen binnen een organisatie, waarvan de Staatssecretaris van Justitie (thans: de minister) op basis van informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel 1 (F) zal worden tegengeworpen, tenzij betrokkene kan aantonen dat in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering. Naar aanleiding van de conclusie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan dat alle onder-officieren en officieren van de Afghaanse Khadimat-e Atal'at-e Dowlati (hierna: de KhAD) en de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (hierna: de WAD) geacht moeten worden zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen, heeft de minister geconcludeerd dat deze personen een categorie vormen, als vorenbedoeld.
2.8. In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juli 2000 is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
"De Nationale Garde (Gard-i-Milli), die onderdeel uitmaakte van het Afghaanse ministerie van Staatsveiligheid (WAD), was opgericht ter bescherming van de president van Afghanistan. Zij was het elite-onderdeel van de WAD. Alleen zeer loyale en bekwaam gebleken medewerkers van de WAD (en in een enkel geval ook van het Afghaanse regeringsleger) werden tot de gelederen van de Nationale Garde toegelaten."
2.9. De vreemdeling heeft verklaard dat hij in 1988 een militaire cursus van zes maanden heeft gevolgd bij de Presidentiële Garde van Afghanistan die vanaf 1989 Nationale Garde werd genoemd. Van 1988 tot 1992 is hij commandant van een bataljon van brigade 5 van de Presidentiële of Nationale Garde geweest. Zijn werkzaamheden bestonden volgens zijn verklaringen uit het ontvangen van hoge militairen en buitenlandse gasten, het leggen van kransen bij allerlei plechtigheden, het bewaken van dienstwoningen van hoge militairen, het begeleiden van regeringshoofden van en naar het vliegveld en het betonen van gastvrijheid tijdens het verblijf van buitenlandse gasten in het land. Hij is gedurende zijn loopbaan drie keer bevorderd en zijn laatste rang was die van kapitein, aldus die verklaringen.
2.10. Op basis van de verklaringen van de vreemdeling en de ambtsberichten van 29 februari 2000 en 12 juli 2000 heeft de minister hem in het besluit van 7 december 2004 en het daarin ingelaste voornemen tot dat besluit artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. De minister heeft zich daartoe, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat sprake is van 'personal participation', omdat de vreemdeling als officier voor het Afghaanse ministerie van Staatsveiligheid WAD werkzaam is geweest en aldus onder een categorie personen valt, aan wie in de regel artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen. Voorts heeft de vreemdeling volgens de minister niet kunnen aantonen dat hij, in weerwil van zijn positie als onderofficier, onderscheidenlijk officier, binnen de KhAD/WAD niet zelf misdrijven in de zin van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd of doen plegen, dan wel zijn handelen en/of nalaten het plegen van deze misdrijven niet mogelijk heeft gemaakt, zodat geen sprake is van een significante uitzondering.
2.11. Volgens de rechtbank heeft de minister zich voor de beantwoording van de vraag of ten aanzien van de vreemdeling sprake is van 'personal participation' voornamelijk gebaseerd op het ambtsbericht van 12 juli 2000, doch kan uit dit ambtsbericht niet zonder meer worden afgeleid dat alle leden van de Nationale Garde gevechtshandelingen hebben verricht en biedt het onvoldoende duidelijkheid over deelnemen van de vijfde brigade aan gevechtshandelingen. Daarom heeft de minister volgens de rechtbank niet zonder nadere motivering op basis van dit ambtsbericht de conclusie mogen trekken dat ten aanzien van de vreemdeling sprake was van 'personal participation'.
2.12. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de minister dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van 'personal participation' niet alleen is uitgegaan van het ambtsbericht van 12 juli 2000 en voorts dat de vreemdeling valt onder een categorie vreemdelingen, aan wie artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag in de regel wordt tegengeworpen.
2.12.1. De minister heeft bij de beantwoording van de vraag of sprake is van 'personal participation' blijkens het besluit van 7 december 2004 en het voornemen daartoe, naast het ambtsbericht van 12 juli 2000, ook het ambtsbericht van 29 februari 2000 betrokken.
De rechtbank heeft voorts, door het in rechtoverweging 2.10. weergegeven standpunt van de minister niet bij haar beoordeling te betrekken, miskend dat, voor zover al een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen personen die bij de veiligheidsdiensten van de KhAD/WAD, zoals beschreven in het ambtsbericht van 29 februari 2000, als officier werkzaam zijn geweest en personen die als officier bij de Nationale Garde werkzaam zijn geweest, de Nationale Garde het elite-onderdeel van de WAD was, waar volgens het ambtsbericht van 12 juli 2000 slechts zeer loyale en bekwaam gebleken medewerkers van de WAD, en in een enkel geval van het Afghaanse leger, werkzaam waren. Gelet hierop en op hetgeen in het ambtsbericht van 29 februari 2000 is vermeld over de selectieprocedure van officieren van de KhAD/WAD en de vereisten die golden om voor bevordering in aanmerking te kunnen komen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling valt onder een categorie personen, aan wie artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag in de regel wordt tegengeworpen. Nu de minister voorts terecht door de vreemdeling niet aangetoond heeft geacht dat hij in zijn persoonlijke gedragingen een uitzondering heeft gevormd op wat binnen de organisatie gebruikelijk was, heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 7 december 2004, voor zover dit betrekking heeft op de toepasselijkheid van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd geacht.
De grieven 1 en 2 slagen reeds hierom.
2.13. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen.
2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 november 2005 in zaak no. AWB 04/57197, voor zover aangevallen door de minister;
IV. bevestigt die uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Os-Ravesloot
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006
248-470.