Uitspraak 201006187/2/H1 en 201010012/2/H1.
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2011:6223
- Datum uitspraak
- 1 maart 2011
- Inhoudsindicatie
- Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2011, heeft de Stichting verzocht om wraking van staatsraad mr. R.W.L. Loeb (hierna: de staatsraad) als voorzitter van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaken nrs. 201006187/1/H1 en 201010012/1/H1.
- Wraking
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
201006187/2/H1 en 201010012/2/H1.
Datum beslissing: 1 maart 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op een verzoek van:
de stichting Stichting Belangenbehartiging Bewoners en Ondernemers Oud Zuid en anderen, gevestigd te Amsterdam,
verzoekster,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
1. Procesverloop
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2011, heeft de Stichting verzocht om wraking van staatsraad mr. R.W.L. Loeb (hierna: de staatsraad) als voorzitter van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaken nrs. 201006187/1/H1 en 201010012/1/H1.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 24 februari 2011 ter openbare zitting aan de orde gesteld, waar de Stichting niet is verschenen.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is dit artikel van overeenkomstige toepassing indien bij de Afdeling hoger beroep wordt ingesteld.
2.3. Aan het verzoek om wraking heeft de Stichting - zakelijk en beknopt weergegeven - ten grondslag gelegd dat op de staatsraad de schijn van partijdigheid rust als gevolg van de gang van zaken ter zitting van 11 januari 2007.
2.4. Het verzoek is met name ingegeven door ervaringen opgedaan bij de behandeling ter zitting van een andere zaak, waar de staatsraad evenals in deze zaak voorzitter was. In het optreden van de staatsraad ter zitting van 11 januari 2007 is geen grond te vinden voor het oordeel dat de staatsraad in deze zaak niet in onpartijdigheid zijn oordeel zal kunnen vormen. De voorzitter bepaalt de orde ter zitting. Het optreden heeft plaatsgevonden in het kader van de taakuitoefening van de staatsraad om als voorzitter de orde en voortgang op de zitting te bewaken en kan als zodanig geen feit of omstandigheid opleveren op grond waarvan geoordeeld moet worden dat sprake is van vooringenomenheid dan wel de gerechtvaardigde vrees daarvoor.
2.5. Gelet op het voorgaande, dient het verzoek te worden afgewezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011
392.