Uitspraak 200305320/1 en 200305326/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:30
- Datum uitspraak
- 16 januari 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200305320/1 en 200305326/1.
Datum uitspraak: 16 januari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 8 juli 2003 in het geding tussen:
[appellant]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 6 juli 2001 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 1 maart 2002 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 6 juli 2001 door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraken van 8 juli 2003, verzonden op 10 juli 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), de tegen de besluiten van 28 februari 2002 en 1 maart 2002 door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de minister) nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraken is overwogen. Deze uitspraken zijn aangehecht.
Tegen deze uitspraken heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 december 2003 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2003, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, en de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag), en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.
Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.
2.1.1. Ingevolge artikel 1 (A), onder 2, van het Vluchtelingenverdrag geldt voor de toepassing van dit verdrag als "vluchteling" elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
Ingevolge artikel 1 (F) zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
2.1.2. Volgens pararaaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is het aan de minister om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) valt.
Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F), wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder persoonlijke deelname wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.
Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 (F) worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000.
2.2. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, omdat er op grond van de verklaringen van de vreemdeling en het rapport van Amnesty International van 7 augustus 1995 en de door de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de algemene situatie in Irak uitgebrachte ambtsberichten van 31 maart 1998 en 13 november 1998, die informatie bevatten over de situatie in Irak gedurende de periode dat de vreemdeling actief is geweest voor de Patriottische Unie van Koerdistan (hierna: de PUK), ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1 (F), onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag, dit verdrag derhalve niet op hem van toepassing is en aan hem ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 evenmin een verblijfsvergunning kan worden verleend op de voet van de onderdelen b, c en d van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000.
2.3. De Afdeling stelt voorop dat, zoals zij eerder heeft gedaan (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 17 januari 1995, zaak R02.93.5844, RV 1995, 1), artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag restrictief dient te worden uitgelegd.
2.4. In grief 1 klaagt de minister - samengevat weergegeven - dat de rechtbank in haar uitspraak van 8 juli 2003 met zaaksnummer AWB 02/26355, betreffende het beroep van de vreemdeling tegen de weigering om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel van de staatssecretaris dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.
2.5. Het standpunt van de staatssecretaris dat de PUK zich in de periode dat de vreemdeling actief was voor deze partij, schuldig heeft gemaakt aan schendingen van mensenrechten die aangemerkt moeten worden als misdrijven, als bedoeld in voormeld artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, is in rechte niet bestreden.
2.6. Volgens zijn verklaringen is de vreemdeling lid geweest van een Kert van een lokale afdeling van de PUK en bestonden de activiteiten die hij in dat kader verrichtte - voor zover thans van belang - uit het opstellen van rapporten voor een lid van het comité van ondernemers over politieke tegenstanders in zijn wijk. Het kon voorkomen dat deze rapporten vervolgens door het betrokken lid van het comité werden doorgestuurd naar de inlichtingendienst van de PUK, aldus de verklaringen van de vreemdeling.
2.7. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.
De door de staatssecretaris aan het besluit van 28 februari 2002 ten grondslag gelegde informatie is ontleend aan het rapport ‘Human rights abuses in Iraqi Kurdistan since 1991’ van 28 februari 1995 van Amnesty International, aan de brief van Amnesty International aan de staatssecretaris van 7 augustus 1995 en aan de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 1998 en 13 november 1998. Deze stukken bieden geen zodanig specifieke informatie over de interne organisatiestructuur van de PUK en met name niet over de interne taakverdeling binnen die organisatie op lokaal en centraal niveau en over de bijdragen van de lokale afdelingen aan het plegen van de door de staatssecretaris bedoelde misdrijven door de PUK, dat op basis daarvan aan de verklaringen van de vreemdeling over zijn positie en activiteiten daarin, ernstige redenen kunnen worden ontleend om te veronderstellen dat sprake is geweest van een ‘personal and knowing participation’ van de vreemdeling bij die misdrijven.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn activiteiten binnen een Kert van een lokale afdeling van de PUK op zichzelf bezien onvoldoende grond bieden om aan te nemen dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat de vreemdeling bewust en direct een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het plegen van misdrijven als voormeld door de PUK. De vreemdeling bracht rapporten uit aan een lid van het comité die besliste wat er vervolgens diende te gebeuren. De vreemdeling heeft verklaard niet te weten hoe met zijn rapporten in voorkomende gevallen gehandeld is, doch dat het gebruikelijk was dat betrokkenen een mondelinge waarschuwing kregen. Leden van de inlichtingendienst van de Koerdistaanse Democratische Partij werden volgens zijn verklaringen naar de inlichtingendienst van de PUK gebracht en kwamen niet meer vrij, maar over zulke personen zegt de vreemdeling nooit te hebben gerapporteerd.
De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat de staatssecretaris zich in het besluit van 28 februari 2002 onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de vreemdeling is voldaan aan de "personal and knowing participation test" en er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat hij aldus betrokken is geweest bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. De grief faalt.
2.8. Grief II mist zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.
2.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen de grieven I en II gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 juli 2003 met zaaksnummer AWB 03/13130, betreffende het beroep van de vreemdeling tegen de weigering om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens tijdsverloop te verlenen, evenmin slagen.
2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.
2.11. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de vreemdeling.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van Gastel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2004
261-346.