Uitspraak 200504759/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:22
- Datum uitspraak
- 8 februari 2006
- Inhoudsindicatie
- Op 7 oktober 2003 heeft appellant besloten om (1) overeenkomsten voor In- en Doorstroombanen (hierna: ID-banen) voor maximaal twee jaren te sluiten, (2) per 1 januari 2004 niet langer subsidie voor bijkomende kosten ad € 1078,-- te verstrekken, (3) de subsidie in de loonkosten voor alle ID-banen vast te stellen op maximaal 100 procent van het wettelijk minimumloon en (4) de werkgever voor op 31 december 2003 bestaande en daadwerkelijk ingevulde ID-banen een aanvulling op de loonkostensubsidie te verstrekken tot het bedrag van de loonkosten van de bestreffende ID-baan per 31 december 2003.
- Hoger beroep
- Geld
Toon inhoud
200504759/1.
Datum uitspraak: 8 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Breda,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. 04/1483 van de rechtbank Breda van
26 april 2005 in het geding tussen:
de stichting "Juan Luis Vives Stichting" gevestigd te Breda, thans de stichting INOS, Stichting Katholiek Onderwijs Breda
en
appellant.
1. Procesverloop
Op 7 oktober 2003 heeft appellant besloten om (1) overeenkomsten voor In- en Doorstroombanen (hierna: ID-banen) voor maximaal twee jaren te sluiten, (2) per 1 januari 2004 niet langer subsidie voor bijkomende kosten ad € 1078,-- te verstrekken, (3) de subsidie in de loonkosten voor alle ID-banen vast te stellen op maximaal 100 procent van het wettelijk minimumloon en (4) de werkgever voor op 31 december 2003 bestaande en daadwerkelijk ingevulde ID-banen een aanvulling op de loonkostensubsidie te verstrekken tot het bedrag van de loonkosten van de bestreffende ID-baan per 31 december 2003.
Bij brief van 4 november 2003 heeft de algemeen directeur BSW-bedrijven van de gemeente Breda een opsomming van de hiervoor aangeduide besluiten gegeven, en daaraan toegevoegd dat per 1 januari 2004 slechts opleidingskosten ten behoeve van uitstroom van langdurig werklozen worden vergoed.
Bij brief van 20 januari 2004 heeft de algemeen directeur BSW-bedrijven namens appellant medegedeeld dat tegen het schrijven van 4 november 2003 op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar kan worden gemaakt, met dien verstande dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk maar uiterlijk voor 7 februari 2004 moet zijn ingediend bij appellant.
Bij schrijven van 27 januari 2004 heeft de stichting "Juan Luis Vives Stichting" gevestigd te Breda, thans de stichting INOS, Stichting Katholiek Onderwijs Breda (hierna: de stichting) bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 2 juni 2004 heeft appellant het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 april 2005, verzonden op die datum, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij schrijven van 27 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 29 augustus 2005 heeft de stichting van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door prof. mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.R.A. Dekker, gemachtigde, zijn verschenen.
De Afdeling heeft onmiddellijk mondelinge uitspraak gedaan en daarbij zich onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen.
Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.
Bij Wet van 9 oktober 2003, houdende invoering van de Wet werk en bijstand (Stb. 376, inwerkingtreding 1 januari 2004; hierna: de Invoeringswet Wet werk en bijstand) is onder andere het Besluit in- en doorstroombanen ingetrokken.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, voor zover hier van belang, gelden door het college op grond van het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluiten als door het college genomen besluiten op grond van de Wet werk en bijstand.
Ingevolge artikel 21, eerste lid en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand wordt op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de peildatum is ingediend tegen een door het college op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, beslist met toepassing van, voor zover hier van belang, het Besluit in- en doorstroombanen.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder peildatum verstaan de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand.
Gelet op de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand op 1 januari 2004, is de peildatum, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, 31 december 2003.
Vast staat dat de stichting eerst bij schrijven van 13 juli 2004 beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 2 juni 2004. Gelet hierop is de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand opgenomen uitzondering niet van toepassing en dient op het geschil te worden beslist met toepassing van de Wet werk en bijstand.
De Wet werk en bijstand komt voor op de bijlage als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet, zodat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep kon worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Afdeling is derhalve niet bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
De Afdeling zal gelet hierop het hoger beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorzenden aan de Centrale Raad van Beroep.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:67 van de Awb door mr. D.A.C. Slump. Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Ouwehand
Voorzitter ambtenaar van Staat
224.