Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200600597/1

Uitspraak 200600597/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AV2238
Datum uitspraak
16 februari 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 december 2005, kenmerk 12946.05.MD.W.JvR, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) en artikel 1.1a van de Wet milieubeheer.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200600597/1.
Datum uitspraak: 16 februari 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "DGV Retail B.V.", gevestigd te Alphen aan den Rijn,
verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2005, kenmerk 12946.05.MD.W.JvR, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb)
en artikel 1.1a van de Wet milieubeheer.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 19 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 februari 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. M. Boers, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. W.M. Logtenberg en A.A.J. Matser, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft de last onder dwangsom opgelegd met het oog op de verwijdering van de in de bodem aanwezige verontreiniging. Volgens verweerder is de verontreiniging na 1987 ontstaan, zodat daarop de plicht tot verwijdering als bedoeld in artikel 13 van de Wbb van toepassing is en niet de regeling voor zogenoemde oude gevallen van bodemverontreiniging.

2.2. Aan de hand van hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over het moment van het ontstaan van de verontreiniging en over de inhoud van de last, overweegt de Voorzitter als volgt.

2.3. Verweerder heeft op grond van verschillende onderzoeksgegevens geconcludeerd dat de verontreiniging is ontstaan na 1987. Die conclusie is door verzoekster gemotiveerd betwist. De beschikbare gegevens bieden de Voorzitter hierover geen definitief uitsluitsel. Deze procedure leent zich daar ook niet voor. In het kader van de beslissing op bezwaar dient dit nader te worden onderzocht. In afwachting daarvan ziet de Voorzitter aanleiding om het besluit om de volgende redenen te schorsen. De verontreiniging is al in 1994 vastgesteld. Het is niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de bescherming van de bodem vereist dat al maatregelen worden getroffen voor het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar. Verder is de formulering van de last onvoldoende duidelijk over hetgeen van verzoekster wordt verlangd, in het bijzonder of met het indienen van een saneringsplan kan worden volstaan, om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen.

2.4. De Voorzitter ziet aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gouda van 13 december 2005, 12946.05.MD.W.JvR tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. gelast dat de gemeente Gouda aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006

157.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon