Uitspraak 200600832/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:23
- Datum uitspraak
- 1 februari 2006
- Eerste aanleg - meervoudig
- Kieswet
Toon inhoud
200600832/1.
Datum uitspraak: 2 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te Putten,
en
het Hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Putten,
verweerder.
Bij besluit van 26 januari 2006 heeft verweerder (hierna: het hoofdstembureau) de naam van appellant geschrapt van de door hem ingediende kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Putten en die lijst ongeldig verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 30 januari 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 1 februari 2006 heeft het hoofdstembureau een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 1 februari 2006 heeft de Kiesraad een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2006, waar het hoofdstembureau, vertegenwoordigd door mr. G.J. Vooren en I. Korten-van de Wereld, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
De Afdeling heeft onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan en daarbij het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt een beroep niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van de verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Ingevolge artikel I 7, tweede lid, van de Kieswet, gelezen in samenhang met artikel D 9, derde lid, van die wet, bedraagt de termijn waarbinnen de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken. De voorzitter van de Afdeling kan een kortere termijn stellen.
Appellant is voor de behandeling van het door hem ingestelde beroep € 138,00 aan griffierecht verschuldigd. Bij aangetekende brief van 31 januari 2006 is appellant daarop gewezen. Daarbij is meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk voorafgaand aan de zitting contant dient te worden betaald ter secretarie van de Raad van State. Tevens is vermeld dat, indien het verschuldigde bedrag dan niet is voldaan, ermee rekening moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Het bedrag is niet uiterlijk voorafgaand aan de zitting contant betaald ter secretarie van de Raad van State. Evenmin is het bedrag uiterlijk voorafgaand aan de zitting op de rekening van de Raad van State bijgeschreven. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:67 van de Awb door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
18-435.