Uitspraak 200510426/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:24
- Datum uitspraak
- 11 januari 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 mei 2005 heeft verzoeker (hierna: de minister) een verzoek van [de vreemdeling] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Nederlanderschap
Toon inhoud
200510426/2.
Datum uitspraak: 11 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4447 van de rechtbank Rotterdam, van 9 december 2005 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
verzoeker.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2005 heeft verzoeker (hierna: de minister) een verzoek van [de vreemdeling] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 29 september 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 december 2005, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij bij brief van 30 december 2005 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 9 januari 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak. Indien het verzoek niet wordt toegewezen, is de minister gehouden dat wel te doen.
De Afdeling zal het hoger beroep op 26 januari 2006 ter zitting behandelen. Naar verwachting zal spoedig daarna uitspraak worden gedaan. Niet op voorhand is aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Onder deze omstandigheden ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.2. Het verzoek dient als gegrond te worden toegewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Spoel w.g. Beerse
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006
382.