Uitspraak 200704578/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:BB1267
- Datum uitspraak
- 30 juli 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 juni 2007 is (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
Raad vanState 200704578/1. Datum uitspraak: 30 juli 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de Staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/24906 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 juli 2007 in het geding tussen: en appellant. 200704578/1 2 30 juli 2007 1. Procesverloop Bij besluit van 16 juni 2007 is (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 2 juli 2007, verzonden op 3 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 9 juli 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie in de overgelegde processen-verbaal onvoldoende is voor een redelijk vermoeden dat zich in (hierna: het horecabedrijf) te illegale vreemdelingen ophielden. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris aldus miskend dat uit die processen-verbaal, met name het door de rechtbank als processtuk 1 aangeduide proces-verbaal, voldoende concreet blijkt op grond van welke feiten en omstandigheden dat vermoeden gerechtvaardigd was. Voorts klaagt de staatssecretaris in deze grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat indien staandehouding plaatsvindt in een voor publiek vrij toegankelijke plaats, de inbreuk op het publieke leven die zulks meebrengt, maakt dat een steviger rechtvaardiging vereist is. Voor dat door de rechtbank aangelegde criterium is in de wet noch het beleid een basis te vinden, aldus de staatssecretaris. 2.1.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren, belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Volgens paragraaf A3/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, mag een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- of omgevingsgegevens aangenomen worden, als er bijvoorbeeld sprake is van: een controle in een bedrijf waarbij bij een eerdere controle illegale personen zijn aangetroffen; concrete anonieme tips over illegale vreemdelingen, of 200704578/1 3 30 juli 2007 een gelegenheid of plaats, waar zich veel vreemdelingen plegen op te houden, en waarvan vermoed wordt of bekend is dat er zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden. 2.1.2. Volgens het op 14 juni 2007 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr. 2007162545-1, is op 4 februari 2007 in het horecabedrijf een persoon aangehouden, waarvan tijdens het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Volgens het blijkens de ondertekening daarvan op 12 juni 2007 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, door de rechtbank aangeduid als processtuk 1, is bij twee politieonderzoeken naar fraude, welke zijn verricht in de periodes van respectievelijk september 2005 tot en met februari 2006 en van oktober 2006 tot en met april 2007, meerdere malen gehoord dat op vrijdag- en zaterdagavond in het horecabedrijf feest werd gevierd over de behaalde resultaten. In dit proces-verbaal is voorts vermeld dat bij die onderzoeken veertien personen zijn aangehouden, waarbij van dertien personen is gebleken dat zij geen rechtmatig verblijf hier te lande genoten, alsmede dat van een achttal merendeels Ntgeriaanse personen, die geen geldige verblijfstitel hadden, is gebleken dat zij ten minste een keer in het horecabedrijf zijn geweest dan wel afspraken hebben gemaakt om daar heen te gaan. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2007, nr. 2007162545-1, blijkt dat uit politieonderzoek duidelijk was geworden dat op 15 juni 2007 van 21.30 uur tot 04.00 uur in het horecabedrijf een feest voor met name mensen afkomstig uit Nigeria zou worden georganiseerd. Op 16 juni 2007, omstreeks 01.30 uur, heeft in het horecabedrijf een gerichte actie op grond van de Vw 2000 plaatsgevonden, waarbij alle ongeveer 250 bezoekers zijn gevraagd hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie aan te tonen. In het op 11 juni 2007 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: de CIE), nr. 782-0510/2007, is vermeld dat in de daaraan voorafgaande vier weken een informant heeft verklaard dat in, naar uit later onderzoek is gebleken, het horecabedrijf veel illegale criminele Nigerianen komen die zich bezighouden met, onder meer, fraude. Deze informatie is door de CIE als betrouwbaar aangemerkt. 2.1.3. Gelet op het in overweging 2.1.1 weergegeven beleid, leveren de voornoemde processen-verbaal, in onderlinge samenhang bezien, een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf op ten aanzien van alle bezoekers, onder wie de vreemdeling, van het feest dat in de nacht van 15 op 16 juni 2007 in het horecabedrijf werd gehouden. De vreemdeling kon derhalve worden staandegehouden krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat, indien de locatie waar het vreemdelingentoezicht plaatsvindt een publieke ruimte betreft, hogere eisen aan de feitelijke grondslag van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf dienen te worden gesteld naarmate het publieke karakter en de omvang van het ter plaatse te 200704578/1 4 30 juli 2007 verwachten publiek zich sterker doen gelden. Deze factoren zijn voor het bestaan van het redelijk vermoeden dat zich ter plaatse illegale vreemdelingen bevinden niet relevant. Dat, zoals de vreemdeling in zijn reactie heeft opgemerkt, in paragraaf A3/2.2.1 van de Vc 2000 is vermeld dat het operationeel vreemdelingentoezicht moet zijn gericht op bestrijding van illegaal verblijf, met een minimum aan hinder voor derden, leidt niet tot een ander oordeel. Laatstgenoemde voorwaarde ziet niet op de grondslag van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf, doch betreft de feitelijke uitvoering van het vreemdelingentoezicht. De grief slaagt. 2.2. De tweede grief, die is gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep en de opheffing van de bewaring, slaagt evenzeer, nu deze beslissingen zijn gegrond op het hiervoor onjuist bevonden oordeel van de rechtbank. 2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, het beroep tegen het besluit van 16 juni 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist. 2.3.1. De vreemdeling heeft betoogd dat hij niet heeft verklaard dat bij zijn gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling geen advocaat aanwezig hoefde te zijn. Het op 16 juni 2006 opgemaakte proces-verbaal van gehoor vermeldt dat de vreemdeling geen advocaat bij het gehoor wilde, maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure, waarna de verbalisant de advocatenpiketcentrale heeft ingelicht. Nu de vreemdeling de juistheid van de inhoud van dit proces-verbaal niet concreet heeft betwist, dient daarvan te worden uitgegaan, zodat dit betoog faalt. 2.3.2. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat de staatssecretaris met onvoldoende voortvarendheid aan zijn uitzetting werkt. Uit het ter zake daarvan opgemaakte proces-verbaal van 16 juni 2007 blijkt dat de vreemdeling na zijn inbewaringstelling nader is gehoord ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Van de staatssecretaris kon, gezien het grote aantal inbewaringstellingen waartoe de in het horecabedrijf gehouden controle heeft geleid, in dit geval niet worden verwacht om voorafgaande aan de zitting van de rechtbank, die op de tiende dag na de bekendmaking van het besluit van 16 juni 2007 heeft plaatsgevonden, nog andere activiteiten te ontplooien. Onder deze omstandigheden bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De grond faalt. 2.3.3. De vreemdeling heeft ten slotte betoogd dat, nu sprake was van een besloten feest, ten onrechte een proces-verbaal van binnentreden, waaruit blijkt dat de in de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de 200704578/1 5 30 juli 2007 Awbi) neergelegde voorwaarden zijn nageleefd, ontbreekt. Uit de tekst van de in de Awbi opgenomen artikelen en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan blijkt dat deze wet ziet op het binnentreden in woningen. Nu het feest waar de vreemdeling is staandegehouden plaatsvond in een bedrijfspand, kan het betoog niet slagen. Dat het feest, naar de vreemdeling heeft gesteld, een besloten karakter had, doet hier niet aan af. 2.4. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 juni 2007 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 200704578/1 6 30 juli 2007 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 juli 2007 in zaak no. AWB 07/24906; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Hazen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2007 452-513. Verzonden: 30 juli 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze. mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak —or. UDUI——*f- M/zu. t . JW -CASE SCREENING. Maatregel van bewaring ^ V-uuBuncr» Ondergetekende, ambtenaaf belast met toedffit op vreemdelingen, tevens hulpofficier van justitie, leg met het oog op de uteiriag aan de vreemdeling zich noemende: Naam: Voornamen Geboorteplaats/land: W4j Geboortedatum: - Nationaliteit: _ Z.vu Woon/verblijfplaats: De maatregel van bewaring op, zoal* bedoeld is szulcel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (geen rechtmatig verblijf). het belang van de openbare oxde vorden de uibewaxingsteBing oiodat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de urczeaing zal onttrekken, hetgeen blijkt mt het fcudat betrokkene: O verdacht wordt van het plegen van een misdrijf O veroordeeld is ter zake mif dnjf O ongewenst verklaard Is met besefaua over een document als bedoeld in artikel 4.21 Vreendelmgenbesluit ach met aangemeld heeft bij de korpschef , o zich niet gebonden heeft aan zijn vertrektei o gebruik maakte) van een (ver)valst) i o ach bedient van een of meer ftliansrn "& geen vaste woon-of verblijfplaats beeft l—^^tnru o eerder niet recbtmardg in Nederland verbleven ! o Overige redenen: Wegens toepassing van artikel 59, lid 2 Het betreft een vreemdeling: die geen rechtmatig verblijf heeft (art. ^_. _. • Vw) die een aanvraag om een verhlijfsvergnnsing regulier ingeneTiatrew#K«L3^Hd"ToSa5r b o Vw) die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend (artikel 59, lid 1 onder b D op wio artikel 5$, lid 2 van do Vreemdelingenwet van toepassing is Een afschrift van deze maatregel is door mij onmiddellijk aan de vreemdelinge) mtgereux crar De maatregel is opgelegd te; Datum: f o (U^\^ Tijdstip: De Staatssecretaris van Justitie, bJ -z^cr? Namens de Staatssecretaris, tn De hulpofficier van jusdtie, Beroep degtn tfezc maande] lean ishrtftejijk worden UTJCStcld Uj dd rooituflk to VOtmv«nh*ge, oessul tmskebsma Naam & handtekening vnsndtUfistnakea, Dreef 50,5012 BS Haadem. feut 023-512673S. IA M Hlartij disnl gebruik te wtden gamaata vas ba model bgoeptcferin; zie "wwwjschtspnaJutT AFDRUK TIJD 90 .lil» n-flo AIITUVIICVT* TIDD'*1 ?o! JU'N.' \urf Nr. 6708; P. 13/36 3. Juli 2007 17:3,0, SBR. VREEMDEL1HG 2KN Rechtbank 's-Giavenhige zittinghoudende te Anisterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jffi artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.; AWB 07/24894 V-nr.: inzake : geborer op van (gestelde) Burundese nationaliteit, verblijvende in bet uitzetcentrum Schiphol, eiser, gemachtigde: mr. KJRamdhan, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris vin Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. AJi Kras, ambtenaar bij de Immigratie' en KaturaUsatiediensr van het Ministerie van Justitie. 1ONTSTAAN EN LOOP VAN HE V GEDING Op 16 juni 2007 is eiser op grond van imlcel 59, eerste lid, aanhef en onder *, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij beroepschrift van 16 juni 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen bet besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsootnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek] om toekenning van schadevergoeding. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 26 juni 2007. Eiser ia ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was tp zitting aanwezig A J. Glass als tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting! gesloten. n. OVERWEGINGEN 1.1 Eiser heeft, onder meer, aangevoerd dat zijn staandehouding en daarmee de daarop volgende inbewaringstelling onrechtmatig zijn, omdat er geen sprake was van een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf 1.2 Verweerder beeft betwist dat de staan* ehouding onrechtmatig was, onder verwijzing naar de zich in het procesdossier bevindende snikken. Zl Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover bier relevant, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, op grond van feiten en omstandigheden die, naar P.3E7 Q&Y. n.u»«.» »M' * M* *•'" Kr.. 6708$ P- J4/36, —A- 3. Juli 200] 17:31) j. OWL. LWU' 1-"^' SBR. VREEMDELING 2KN AWB 07/24894 objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling! van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. 2.2 Blijkens paragraaf A3/33 vat de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft de term 'redelijk vennoeden van illegaal verblijf grote raakvlj kkeo met het voor de politie vertrouwde begrip 'redelijk vermoeden' van het artikel 27 van het Wetboe c van Strafvordering. Ook bij de toepassing van de bevoegdheid tot • staandehouding van artikel 50 var de Vw 2000 moet het vermoeden redelijk zijn en wel naar objectieve maatstaven gemeten. Ter voorkoming van discriminatoir handelen zal steeds uit feiten of omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, moeten blijken waarop het redelijke vennoeden van illegaal verblijf gebaseerd is geweest, Hierbij kunnen de feiten if omstandigheden van de situatie of de aanwijzingen richting een persoon bepalend zijn. Uit het beleid volgt dat dit redelijk vennoeden ook kan gelden ten aanzien van een gelegenheid of plaats, waar zien veel vreemdelingen plegen op te houden» en waarvan vermoed wordt of bekend is dat er zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden. De rechtbank overweegt het volgen Ie. 3.1 In het proces-veibaaj van bevint ingen van 14 juni 2007 met nummer 2007162545-1 (processtuk 2) staat, ondermeer, bet navolgende vebrneld: "Redelijk vermoeden van illego u verblijf Geler op tk hiervoor vermelde verkn gen aanwijzingen uit eigen politieonderzoek; dat op het adres te een vreemdeling is aangehouden welke gesignaleerd naat als ongewenst vreemdeling; dar er op het adres te een concrete anonieme tip ]s welke vermeld dai zich op genoemd adroa veel\(uldig criminele illegale vreemdelingen plegen op te houden; dat het adres te ! een gelegenheid/plaats is waar zich veel vreemdelingen plegen op te houden en waarUn vermoed wordt en bekend u dat er zich regelmatig fllogale vreemdelingen bevinden; 1 dat uit feiten en omstandigbeflen het vennoeden bestaat dat de aldaar verblijvende vreemdelingen zich met verstoring van de opjenbare orde en criminele activiteiten bezighouden; is ten aanzien van bedoeld ' een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf gerechtvaardigd." 1 3.2 Uit de zich in bet dossier bevindend D processtukken blijkt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende, Proces-verbaal van bevindingen von J4 juni 2007 (processtuk J) Do Regiopolitie Amsterdato-Amstellaru heeft twee fraudeonderzoeken verricht. Macro (september 2005 tot en met februari 2006) en Prestol (oktober 2006 tot en met april 2007). Deze onderzoeken waren gericht op zogenaamde 419-fraudL genoemd naar artikel 419 van het Ndgeriaanse Wetboek van Strafrecht Samengevat hadden deze onderzoeken betrekking op fraude waarbij slachtoffers per e-mail worden benaderd met de mededeling datpj een prijs hebben gewonnen of een erfenis hebben getogen. Ook wordt het internet middels phishingsites van fake loterijen of banken misbruikt. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat 4 9-fraude meestal wordt gepleegd door West-Afrikanen, met name Nigerianen. Tijdens de onderzoeken werd meerdere njalen gehoord dat er op vrijdag en zaterdagavond in te _ feest werd gevierd over de behaalde resultaten. Uit de onderzoeken Macro en Presto is gebleken dat van de veertien aangehouden verdachten er dertien geen geldige verblijfstitel hadden. In het strafrechtelijk onderzoek is vastgesteld dat zeven van deze dertien verdachten zonder verbujftrecht ten minste een keer h _ zijn geweest of hebben afspraken gemaakt daarheen te gat P.368 9GX ft.» » "i' ***U "•" NT. 6708 P. J5/36 3. Juli 2007 17:31 I AWB 07/24894 Proces-verbaal van bevindingej van 14 juni 2007 nr. 2007162545-1 (processtuk 2) Onder de naam "Spirit" hebben iverse grootschalige politieoptredens plaatsgevonden. Deze stonden in het teken van het opsporen, so andehouden en verwijderen van in Amsterdam verblijvende criminele illegale vreemdelingen Op 15 mei 2007 heeft de actie "S int 11" plaatsgevonden, waarbij informatie is gebruikt uit de Macro- en Presto onderzoeken. D s restinformatie van "Spirit 11" is verzameld en veredeld. X-Pol registratie van 4februari 2Q07 (2007032065) Op 4 februari 2007 is in het _ ' een ongewenst verklaarde illegale vreemdeling aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht (uitgeven van valse of vervalste bankbiljetten). X-Pol Rapport Nigerianen Info (2006074802-1) Na 21 februari 2006 is ia het ond k Macro een anonieme brief binnengekomen (in de Engelse taal), waarin de schrijver de arr ie van Ndgeriaanse 419-fraudeurs toejuicht en aangeeft dar indien de politie er nog meer wil vangen, , onder meer, naar het moeten gaan, met name in het weekend (zaterdag). De fraudeurs uden geddentificeerd kunnen worden aan de hand van het grote aantal flessen champagne of co Ze spenderen duizenden euro's in een nacht aan drank in X'Pol rapport horeca controle van p februari 2007 (nt. 2007055754-1) De eigenaar van ,de heer is bij de opening benaderd door mensen van Afrikaanse afkomst die de zaak Wilden huren voor bijeenkomsten van Afrikaanse mensen. Heuft wilde dit niet, maar stelt zijn bedrijf vel open voor samenkomst van Afrikaanse mensen. Hij verzorgt de drank- en eetwaren, de mensen di eerst wilden huren verzorgen de avond voor wat betreft beveiliging en toezicht * " Proces-verbaal van C/E^informatie, \l juni 2007, (nr. 782-0510/2007) Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid Amstardam-Aznstelland is in de periode van vier weken voor 11 juni 2007 van een informant de volgende informatie binnengekomen: in het in de Bijlmer komen veel illegale crimineleJNigerianen die zich bezighouden met de handel in verdovende middelen, XTC, fraude en oplichting, pe eigenaar zou hiervan op de hoogte zijn. Hen van de vaste bezoekers is een Ndgeriaanse man, ,die regelt dat veel Nigerianen naar het cafe komen, wat goed is voor de omzet. Deze informatie is door de GE als betrouwbaar aangemerkt. De CSE heeft vastgesteld dat deze is, op wiens adres volgens de Kamer van Koophandel een eenmanszaak is g rvestigd,'. die muziekoptredens verzorgt en feesten organiseert Proces-verbaal van bevindingen. 22ju\i 2007 (nr. 2007162545*1) Op vrijdagavond 15 juni 2007 was in „ (van 21:30 tot 4:00 uur) een feest georganiseerd voor met name mensen uit Nigeria, waar Nigeriaanse dj's en comedians zouden optreden. Dit was kenbaar gemaakt op aanplakbiljetten. 3.3 De rechtbank overweegt ten aanzien] van de rechtmatigheid van de staandehouding het volgende. 3.4 In deze 2aak staat de vraag centraal df ten aanzien van de groep bezoekers die in de nacht van vrijdag 15 op zaterdag 16 juni 2007 aanwezig was in het een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Daarbij u van belang dat het een vrij toegankelijke plaats is en dat ook het feest dat werd gehouden open stond voor iedere belangstellende. Nader toegespitst gaat hst erom of de informatie waar verweerder zich op beroept, een voldoende basis vormt voor een bevestigende beantwoording van die vraag. De rechtbank is van oordeel dat het publieke karafaer van de te onderzoeken Alaats en de omvang van het aldaar te verwachten publiek van invloed zijn op do eisen die moeten worden gesteld aan de feitelijke grondslag van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Naarmate! deze twee elementen sterker aanwezig zijn, zal immers de inbreuk die met het onderzoek op het pubfieke leven wordt gemaakt groter zijn en dus eon Steviger rechtvaardiging vergen. 33 Verweerder heeft het redelijk vermoed ai van illegaal verblijf ten aanzien van het gebaseerd op de groep van criminele WesuAfrikaanse vreemdelingen die zich aldaar zou ophouden in samenhang met de aan hen toegedichte stai JS van illegale vreemdeling. s&y. Kr. 67081 P. 16/36 3. J_uJ_i 2007 \1}))) SBR. VREEMDELING 1U AWB 07/24894 Uit de CIE-iaformatie komt naar [voren dat er veel illegale criminele Nigerianen komen in het Op welke dag of dagen dit 3t geval is» de omvang van die groep en de frequentie waarmee ze daar te vinden zonden zijn, blijkt tlaar evenwel niet uit, daarvoor is de informatie te onbepaald. De rechtbank is van oordeel dat ain de inhoud van dit proces-verbaal geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend in de beantwoording van de vraag of de groep West-Afrikanen, die in het strafrechtelijk onderzoek is betrokken, (doorgaans) geen rechtmatig verblijf in Nederland geniet. Uit de overige processtukken komf weliswaar naar voren dat criminele Nigerianen met name op vrijdag en/of zaterdag in het komen om aldaar veel geld uit te geven, maar daarmee is nog niet gegeven dat dit tevens illegal cl vreemdelingen betreffen. Dat deze groep van criminele Nigerianen illegaal in Nederland zou verblijven lijkt verweerder met name af te leiden uit de volgende o nstandigheden. Op 4 februari 2007 is een verdachte aangehouden in het vanwege bet betaten met vals of vervalst geld, die tevens illegaal vn emdeling bleek te zijn. Naaf het oordeel van de rechtbank kan aan de aanhouding van een verdachte z nder verblijfstitel in een voor bet publiek vrij toegankelijke ruimte slechts beperkte betekenis worden ti «gekend bij de beantwoording van de vraag of zich in die ruimte vaker illegalen ophouden. Dit geldt m dit geval temeer nu er van de kant van verweerder niet is gesteld dat de West-Afrikanen, die in het strafrechtelijk onderzoek zijn betrokken, eveneens worden verdacht van hot opzettelijk uitgeven van valsjgeld, zodat evenrnin is gebleken van een verband tussen deze verdachte en de bedoelde groep. Verweerder heeft de illegale status vcorts gebaseerd op de omstandigheid dat uit de Macro- en Presto- onderzoeken is gebleken dat dertien d an de veertien verdachten geen verblijfsrecht badden. De rechtbank constateert dat niet blijkt d it deze verdachten in het zijn aangehouden. Wel vermeldt het door verweerder overgel egde proces-verbaal' dat zeven van de veertien verdachten io ieder geval een keer in het zyn geweest of er hebben afgesproken. De rechtbank overweegt dat voornoemde onderzoeken zien op een periode van circa anderhalfjaar. Uit de stukken bljjkt voorts niet dat deze illegale verdachten in het weekend naar het gingen of afspraken, noch op welk moment ze dat deden injde periode van september 2005 tot mei 2007. 3.6 Naar het oordeel van de rechtbank djn voornoemde omstandigheden onvoldoende voor het aannemen van een verband tussen criminele activiteiten door West-Afrikanen en illegaal verblijf. Het dossier bevat weliswaar meer aanwijzingen voor een mogelijk verband russen crimineel gedrag en het bezoeken van het . maar dd is niet het beslissende punt in deze zaak. 3.7 Gelet op het hiervoor overwogene, jn onderlinge samenhang bezien en beoordeeld in het licht van de in onderdeel 3.4 gegeven maatstaf, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aanknopingspunten had om te veronder tellen dat eventueel op het Nigeriaanse feest in het in de nacht van 15 op 16 juni 2007 aanw eziga West-Afrikanen tevens illegaal in Nederland verbleven, zodat de met die groep samenhangende imstandigheden geen afdoende geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanz en van het konden opleveren. De staandehouding van eiser als uitvloeisel van het op dat vermoeden gebaseerde grootschalige onderzoek in het op 16 juni 2007 heeft derhalve niet •echtmaug plaatsgevonden. 3.8 Dat er, achteraf bezien, een grote groi p illegalen is aangetroffen, doet aan het vorenstaande niet af. Immers, de aanleiding voor het ondetzod : rechtvaardigde de grootscheepse controle onvoldoende. terwijl verweerder niet beoogde, zo is ter fitting betoogd, om alle 250, veelal Afrikaanse, bezoekers van een Nigeriaans feest te controleren. 4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2006 (JV 20067100), maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, taaien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende belangen heeft gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de schending van artikel 50J eerste lid, van de Vw 2000 niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Het door verweerder gestelde belang van de openbare orde is daartoe niet P.370 n.t«»pG »t tud \.M\ ri-.« 95* Ni. 67083 P- A'/36 uli 2007 H:32j u„t. Il/W" I;I1 SBR. VREEMDU1NG 2KN AWB 07/24894 toereikend, gelet op het grote belang van eiser bij een afdoende geobjectiveerd redelijk vermoeden, ter bescherming waarvan artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 strekt. De maatregel van bewaring is derhalve bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redeJykheid niet gerechtvaardigd te achten. 5. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrgheidsontnemende maatregel in strijd is met artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Derha ve zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de opheffing van de bewaring worden bevolen, inga inde op 3 juli 2007. De overige door eiser aangevoerde beroeps- gronden behoeven, gelet op het vo enstaande, geen bespreking meer. 6.1 De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld ra artikel 1( 6 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van L 70,- per dag dat eiser ten onrechte aan de vrijheids ontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal 61.190,-. 6.2 Gelet op het voorgaande is er tevens aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseriin verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgeste ld op ˆ 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het vei schijnen ter zitting, waarde per punt ˆ 322,-, wegingsfactor 1). P 371 e, t;;a * .UU IW3 qcv n»tw»"ffi Nt. 67081 P. 18/36 -A- 3. Juli 2007 il;32) SBR. VREEMDELING 2U AWB 07/24894 m. BESLISSING De rechtbank verklaart het beroep gegr( nd; beveelt dat de bewaring in gaande 3 juli 2007 wordt opgeheven; veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot E 1.190,-(zegge: elfhonderd en negentig Quia), te betalen aan eiser; veroordeelt verweerder in ae proceskosten van eiser tot een bedrag groot 6 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank. De2e uitspraak is gedaan op 3 juli 2O07 door mr. MJ. Diemer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax» griffier, en bekendgemai kt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. S"^^ Afschrift verzonden op: '3 •ki &6, Cone.: ST CoU: P:C VOOR KOPIE CONFORM DE GRimE^ER Tegen deze uitspruit naai hoger beroep open op Afdeling besmursrechtsprank van de Raad v»n Seuo (adres: Raad van State, Afticling bcsamrsrcdHspraak. Hoger beroep tiagenaksn, Postbus 16113,2500 BC VGrftvenhage De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt een Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals net overleggen een a&cbrtft van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikd SS, eerste Kd. van de Vw2000 een of meer leven te bevatten. Artikel 6:6 ven de Awb (herstel verarim) is niet van toepassing. P.372 Ont.mst Wil 3J«u 15:43 965! 3. Juli 2007 17:29 .Nr. 6708 P. 5/36. Justitie Imvnigrane t.n Xaim'.ili^iiiicdienst Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Vreemdelingenzaken H*V& VAN STATE Postbus 20019 2500 EA 's-GRAVENHAGE z 3 JUL 2007 ry^j.di AAX: BEHANDELD: DD: PAR: Hoger beroepschrift vreemdelingenzaken Van; de Staatssecretaris van Justitie te VGravenhage appellant gemachtigde: mr. B. Nollen ambtenaar ten departemente Tegen: de uitspraak van de rechtbank VGravenhage, xraing houdende ie Amsterdaro van 3 juli 2007 met kenmerk 07/24694 Inzake: met IND-kenmerk 0706.657.6901 aan te duiden ah verweerder gemachtigde: K. Ramdhan advocaat te Amsterdam Procesvertegenwoordiging Oen Haag BordewQklBan 82 2591 XR Den Haag Postbus 30120 2500 GC Den Haag mr. fX Cozdp 070-779 7111 na-n7-?.nn7 i7:?.q 9E* P.359 3-Juii 200? 17:29 Nr. 6708 P. 6/36 1 Inleiding De Staatssecretaris komt in hoger beroep van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam van 3 jub' 2007, verzonden op 3 juli 2007, met kenmerk AWB 07/24894, in welke zaak de rechtbank het beroep tegen het besluit van gegrond heeft verklaard, en de maatregel van bewaring heeft opgeheven (productiel). 2 Achtergronden Bij besluit van 16 juni 2007 is verweerder krachtens artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdehngenwei 2000 (hierna: W 2000) in bewaring gesteld. Bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage. rievenzittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2007. met kenmerk AWB 07/24894. heeft de rechtbank het daartegen door verweerder ingestelde beroep gegrond verklaard en de bewaring opgeheven. 3 Standpunt van de Staatssecretaris 3.1. De Staatssecretaris heeft twee grieven tegen de uitspraak van de rechtbank. Grief 1 3.2. Ten onrechte overweegt de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende: " 3.4 In deze zaak siaai de vraag centraal of ten aanzien van de groep bezoekers die in de nacht van vrijdag 15 op zaderdag 16 juni 2007 aanwezig was in her een rederijk vermoeden van Qlegaal verblijf bestond. Daarbij is van belang dar hei een vrij toegankelijke plaats is en dat ook het feest dat werd gehouden open stond voor ledere belangstellende. Nader toegespitst gaai het er op of de Informatie waar verweerder zich op beroept, een voldoende basis vormt voor een bevestigende beantwoording van die vraag. De rechtbank Is van oordeel dat pubHeke karakter van de te onderzoeken plaats en de omvang van het aldaar te verwachten publiek van invloed zijn op de eisen die moeren worden gesteld aan de feitelijke grondslag van het redelijk vermoeden van illegaal varbhji Naannate deze twee elementen «erker aanwezig zijn, zal Immers de inbreuk die met het onderzoek op het publieke leven wordt gemaakt groter zijn en dus een steviger rechtvaardiging vergen. 3.5.Verweerdex heeft het redelijk van Qlegaal verblijf ten aanzien van het gebaseerd op de groep van criminele West-Atrfkaanse vreemdelingen die zich aldaar ophouden in samenhang met de aan hen toegedichte status van illegale vreemdeling. Uit de CIL*mfonnade komt naar voren dat er veel Illegale criminele Nigerianen komen in bet i Op welke dag of dagen dit het geval Is, de omvang van die groep en de frequentie waarmee ze dat te vinden zouden zijn. blijkt daar evenwel met uit, daarvoor is de Informatie te onbepaald. De rechtbank is van oordeel dat aan de inhoud van dit proces-verbaal geen doorslaggevend betekenis kan worden toegekend in de beantwoording van de vraag of de groep West-Afrikanen, die in het strafrechtelijk onderzoek In betrokken, (doorgaans) geen recbtrnadg verbhjf in Nederland geniet 2 QCV P.3R0 3. Juli 2OO7 17:3o Nr. 6708 P. 7/36 Uh de overige processtukken komt weliswaar naai voren dat criminele Nigeria met name op vrijdag en/of zaterdag in hei komen om aldaar veel geld uh te geven, maar daarmee is nog niet gegeven dat tevens Ulegale vreemdelingen betreffen. Dat deze groep van criminele Nlgerianen illegaal in Nederland zou verblijven lijkt verweerder mei name af te leiden uit de volgende omstandigheden. Op 4 februari 2007 Is een verdachte aangehouden in het vanwege het betalen met vals of vervalst geld, die tevens Illegaal vreemdeling bleek te zijn. Naar her oordeel van de rechtbank kan san de aanhouding van een verdachte zonder verblijfstitel in een voor het publiek vrij toegankelijke ruimte slechts beperkte betekenis worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of zich in die ruimte vaker illegalen ophouden. Dit geldt temeer er van de kant van verweerder niet is gestald dat de West-Afrikanen, die in het strafrechtelijk onderzoek zijn betrokken, eveneens worden verdacht van het opzettelijk uitgeven van vals geld. zodat evenmin is gebleken van een verband tussen deze verdachte en de bedoelde groep. Verweerder heeft de illegale status voorts gebaseerd op de omstandigheden dat uit de Macro-en Presto-onderzoeken is gebleken dat dertien van de veerden verdachten geen verblijfsrecht hadden. De rechtbank constateert dat niet blijkt dat deze verdachten in het' zijn aangehouden. Wel vermeldt het door verweerder overgelegde proces-verbaal dal zeven van de veertien verdachten in ieder geval een keer in het zijn geweest of er hebben afgesproken. De rechtbank overweegt dat voornoemde onderzoeken zien op een periode van circa anderhalf Jaar. Ulr de stukken blijkt voorts niet dat deze illegale verdachten naar het gingen of afspraken, noch op welk moment ze dat deden In de periode van september 20U5 tot me 2007. 2JB. Naar het oordeel van de rechtbank zijo voornoemde omstandigheden onvoldoende voor het aannemen van een verband tussen criminele activiteiten door WetS'Afrikanen en illegaal verblijf. Het dossier bevat weliswaar meer aanwijzingen voor een mogelijk verband tussen criminal gedrag en het bezoeken aan het ,maar dat U nlethet beslissende punt in deze zaak. 3.7. Gelet op het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien en beoordeeld in het hebt van de onderdeel 3.4 gegeven maatstaf is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aanknopingspunten had om te veronderstellen dat eventueel op het Nigeriaanse feest aanwezige West-Afrikaneaen tevens Illegaal in ' Nederland verbleven, zodat de met die groep tevens illegaal In Nederland verbleven. zodat de met die groep samenhangende omstandigheden geen afdoende geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van bet konden opleveren. De sraandebouding van eiser als uitvloeisel van het op dat vermoeden gebaseerde grootschalige onderzoek in het op 16 Juni 2007 beeft derhalve niet rechtmatig plaatsgevonden. 3.8. Dat er, achteraf bezien een grote groep illegalen ia aangetroffen, doet aan het vorenstaande niet al Immers, de aanleiding voor het onderzoek rechtvaardigt de grootscheepse controle onvoldoende terwijl verweerder niet beoogde, zo is ter zitting betoogd, om alle 250, veelal Afrikaanse bezoekers van een Nigeriaans feest ie controleren. Toelichting op grief 1 33. De rechtbank overweegt ten onrechte dat indien de staandehouding plaatsvindt in een voor publiek vrij toegankelijke plaats, de Inbreuk op het publieke leven die zulks meebrengt maakt dat een "steviger rechtvaardiging vereist is". 3 ^1_l"i*J_'}"»n, 1 *7 • 1l"l «Ififc P.361 3. Juli 200? 17:30 Nr. 6703 ?. 8/36 3.4. De Staatssecretaris constateert dat het door de rechtbank aangelegde criterium geen basis vindt in wet of regelgeving. In beleid wordt geen onderscheid gemaakt ten aanzien van de mate waarin de plaats waar de staandehouding plaatsheeft, toegankelijk is voor (overig) publiek. A3/i3Vc2000 luidt: "In het geval het redelijk vermoeden betrekking heeft op een bepaalde plaats of ruimte geldt als uitgangspunt dat ledereen die zich daar bevindt, daadwerkelijk moet worden gecontroleerd Daardoor wordt uitgesloten dat degenen die met de controle zijn belast, een keuze op uiterlijke kenmerken moeten maken. Het kan echter zijn dat etsen van redelijkheid of doelmatigheid zich verzetten tegen het controleren van alle aanwezige personen. Dit b onder meer het geval, indien iemands identiteit de politie at uit andere hoofde bekend is. ' Ten onrechte verbindt de rechtbank aan de omstandigheid dai het druk werd bezocht de conclusie dat om te oordelen dat sprake is van een redelijk vermoeden een steviger rechtvaardiging vereist is. 3.5. Ten onrechte overweegt de rechtbank dat de staandehouding heeft plaatsgevonden op basis van feilen en omstandigheden die tezamen bezien geen redelijk vermoeden van Qlegaa] verblijf vormen. In artikel 50 Vw is bepaald dat ambtenaren belast met het toezichi op vreemdelingen bevoegd zijn, op grond van feiten en omstandigheden die nar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfrechtelijke positie. Oe Staatssecretaris heeft zijn beleid hieromtrent neergelegd in A3/3.3 Vc 2000, waarin (voor zover hier relevant) het volgende is bepaald: %••) Een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mag mede op basis van ervarings- ofomgevingsgegevens aangenomen worden als er bijvoorbeeld sprake is van: (...) • een controle in een woning of een bedrijf waarbij bij een eerdere controle illegale personen aangetroffen zijn; • concrete (anonieme) tips over illegale vreemdelingen; (...) • een gelegenheid of plaats, waar zich veel vreemdelingen plegen op te houden, en waarvan vermoed wordt of bekend Is dat er zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden; (...)" 3.5. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat uit de aan de rechtbank overgelegde processen-verbaal voldoende concreet blijkt op grond van welke feiten en omstandigheden het redelijk vermoeden dat in het illegale vreemdelingen aanwezig waren gerechtvaardigd was. De Staatssecretaris wijst hierbij met name op het proces-verbaal van bevindingen van 12 juni'2007. waarin is gerelateerd dat meerdere malen Is gehoord dat op vrijdag en zaterdagavond behaalde resultaten van internetfraude in het worden gevierd, waarbij van belang is dat 4 i^o_r\'7_'riA'7 n-on 3Ly. P.362 3. Juli 200? 17:30 Nr.6m p. 9/36 veneweg de meeste verdachten geen rechtmatig verblijf hier te lande bleken te hebben (productief. Voorst wijst de Staatssecretaris op het proces-verbaal; van bevindingen van 14 juni 2007 waarin wordt gerelateerd dat in _ een illegale vreemdeling is aangehouden terzake overtreding van artikel 209 Wetboek van Strafrecht (productie 3). Vervolgens wijst de staatssecretaris op het proces • verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland van 11 Juni 2007 waarin is opgenomen dat een informant heeft gemeld dat veel illegale criminele Nigerianen komen in (productie De staatssecretaris is van oordeel dat gelet op deze informatie uit de processen verbaal, in onderlinge samenhang bezien, de rechtbank niet tot zijn conclusie heeft kunnen komen dat ten aanzien van grand cafe het Vervolg geen sprake was van aanwezigheid van illegale vreemdelingen. De omstandigheid dat de informatie mede betrekking heeft op criminele activiteiten van de vreemdelingen laat onverlet dat daaruit tevens blijkt dat deze vreemdelingen veelal onrechtmatig hier te lande verblijven. De staatssecretaris wijst er hierbij op dat de arrondissementsrechtbank 's- Gravenhage, zittinghoudende te Utrecht, dit standpunt heeft gevolgd. [productie 5, arrondissementrechibant Utrecht 2 juli 2007, AWR,07/24662) Grief 2 Ten onrechte overweegt de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende: "5. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd met artikel 50, eerste lid van de Vw 2000, derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de opheffing van de bewaring worden bevolen, ingaande op 3 juli 2007". Toelichting 3.6. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en dient derhalve te worden beoordeeld in het Echt van de eerdere grieven. 4. Conclusie Gelet op het vorenstaande verzoekt de Staatssecretaris uw Afdeling het hoger beroep gegrond, de aangevallen uitspraak te vernietigen en te de doen wat de rechtbank had behoren te doen, namelijk het beroep ongegrond te verklaren. Den Haag, juli 2007 Mr. B. Nollen Senior procesvertegenwoordiger Staatssecretaris van Justitie Immigratie en Naturalisatiedienst Proces Procesvertegenwoordiging Postbus 30120 5 •^nr\-7 « i. on Ws. P.3G3 3. Juli 2007 17:30 Nr. 6708 P. 10/36 2500 GC Den Haag Telefoon 070-779 4339 Telefax 070-779 4545 P.3G4 dOO'd y.SB 99**919 020 2g:8T LOOZ-iO-OD Advocatenkantoor Ramdhan advocaten en procureurs mr K. Ramdhan pieter Calandlaan 134 mr. R.T. Laigsingh ,068 NR Amsterdam „ All Tel. 020-615 41 36/06-53 62 55 38 mr. S. Akkas Fax 020-615 44 85 Tevens oer fai 070-3651380 Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA Den Haag RAAD VAN STATE Betreft: verweerschrift, tevens hoger beroep INGEKOMEN Inzake: / Staatssecretaris van Justitie Uw nummer. 200704555/1/V3 B 1 0 JUL 2007 ZAAKNR. Uitspraak: 3 juli 2007 Nummer AWB 07/24894 AAN: 'JS'UcJr.dic.i BEHANDELD: DD: PAR: Geeft eerbiedig te kennen: De heer geboren op van Burundese nationaliteit, hierna belanghebbende, terzake dezer domicilie kiezende te (1068 NR) Amsterdam aan de Pieter Calandlaan 134, ten kantore van de advocaat en procureur mr. K. Ramdhan, die door belanghebbende ten deze tot bepaaldelijk gevolmachtigd (in de zin van artikel 70 lid 1 Vw. 2000) wordt gesteld, ook tot het indienen van het hoger beroep, en als zodanig zal optreden; dat hij tijdig verweer voert tegen het hoger beroep van de Staatssecretaris en tevens hierbij hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam d.d. 3 juli 2007 (bijlage), met nummer AWB 07/24894. Verweerschrift De rechtbank heeft terecht overwogen, dat gelet op de feiten en samenhangende omstandigheden van het geval, in casu geen sprake was van naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vennoeden van illegaal verblijf van belanghebbende om een staandehouding als bedoeld in artikel 50 Vb 2000 te rechtvaardigen. De Staatssecretaris heeft twee grieven aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank. Met betrekking tot grief 1 en 2. De rechtbank heeft terecht overwogen, dat indien de staandehouding plaatsvindt in een voor publiek vrij toegankelijke plaats, voor een inbreuk op het publieke leven een "steviger 1 i-d CO+rtrC 0-A7A KrwuniAJW\J \jnniMW\jM3iw\rvAnw nrvm in inf ni 200 "d '/.IB 98**919 020 29:81 i00S-i0-0T mr. K. Ramdhan advocaat en procureur rechtvaardiging is vereist" Dit volgt naar de mening van belanghebbende ook uit A3/2.3.3. en A3/2.2.2 van de Vc 2000. Niets voor niets zijn hierbij extra waarborgen gesteld voor staandehouding als het gaat om een gelegenheid of plaats toegankelijk voor het publiek. Het gaat hier niet om een limitatieve opsomming Volgens het vaste beleid wordt een actie op grond van artikel S0 Vw 2000 tijdens een gelegenheid of plaats voor publiek vrij toegankelijk, ook getoetst aan de eisen van redelijkheid of doelmatigheid. In casu ging bet om een actie in het kader van de Vw 2000 tijdens een gelegenheid of plaats die toegankelijk was voor het publiek, zodat de rechtbank, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, op grond van paragraaf A3/23.3 en A3/2.2.2 terecht heeft overwogen, dat voor een dergelijk staandehouding op grond van artikel 50 Vw een "steviger rechtvaardiging is vereist''. Aan een dergelijk actie wordt inderdaad zwaardere eisen gesteld. Zie ook ABRS, 4 september 2003, nr. 200304675/1, JV 2003/4777, zo ook ABRS, 8 augustus 2005, nr. 200506037/1, JV 2005/362. Kortom, de stelling van de Staatssecretaris, dat in het beleid geen onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van de mate waarin de plaats waar de staandehouding plaatsvindt, toegankelijk is voor (overige) publiek, gelet op het vastgestelde beleid en de rechtspraak niet juist. De Staatssecretaris stelt zich ten onrechte op het standpunt, dat uit de overgelegde processen- verbaal voldoende concreet blijkt, op grond van welke feiten en'omstandigheden het redelijke vermoeden bestond, dat in het illegale vreemdelingen aanwezig waren. Het proces-verbaal van d\d- 12 juni 2007 maakt geen deel uit van bet dossier en doet ook niet af i aan bet gestelde door de belanghebbende. Dit proces-verbaal is biet integraal toegevoegd aan het dossier, maar wordt in productie 2 van verweerder, op pagina 1 summier aangehaald zonder beschrijving van de inhoud ervan. Dit proces-verbaal kan dan ook niet de stelling van de Staatssecretaris bewijzen. Ook de overige processen-verbaal zijn allemaal stukken die opgemaakt zijn in het kader van het strafrechtelijke procedures,; waarbij gebruik zijn gemaakt van Bijzondere Opsporingsbevoegdheden ea helemaal niet betrekking hadden op onderzoeken in het kader van illegaal verblijf van belanghebbende of anderen. De raadsman van belanghebbende heeft dan ook middels zijn pleitnota, waarvan bijgaand een kopie, het 2 SB**ST9 0Z0 eS:8T L00Z-L0-0D mr. K. Ramdhan advocad en procureur gestelde door de Staatssecretaris al in eerste aanleg bestreden en verzoekt deze hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Weshalve: belanghebbende eerbiedig het verzoek doet om het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak van de rechtbank op dit onderdeel te bekrachtigen, althans rechtdoende de bewaring onrechtmatig te verklaren en met daarbij de veroordeling van verweerder in de kosten van het geding. In hoger beroep. Grief 1. Namens belanghebbende is in beroep bij de rechtbank aangevoerd, dat de belanghebbende en de rechtbank onvoldoende waren gednformeerd over de gang van zaken met betrekking tot de staandehouding van belanghebbende. Met name was niet duidelijk boe laat de actie was aangevangen en hoe laat deze was beeindigd, welke controlemethoden omtrent de vaststelling van de identiteit en de verblijfsstatus waren toegepast in de nacht van 16 juni 2006, terwijl dit noodzakelijk was te vermelden nu het ging om een actie tijdens een "gelegenheid en op een plaats toegankelijk voor het publiek." Er is helemaal geen verslaglegging waarin vermeld wordt of en op welke wijze aan het in paragraaf A3/2.2.2 en A3/23.3. vermelde beleidsuitgangspunten is vastgehouden. Het proces-verbaal van staandehouding, noch bet proces-verbaal van bevindingen bevat een zodanige vermelding, dan wel een vermelding dat eisen van redelijkheid of doelmatigheid zich verzetten tegen het controleren van alle aanwezige personen in het De rechtbank heeft op dit verweer niet geoordeeld, althans blijkt daarvan niet uit de overwegingen waarop de uitspraak berust. De rechtbank heeft derhalve niet, althans niet voldoende gemotiveerd beslist op de door belanghebbende aangevoerde gronden en heeft dus uitspraak gedaan in stnjd.met artikel 8:69 althans met artikel 8:77 Awb. Toelichting: 3 tOO'd Xie 58**919 020 CS:8T LQQZ-LO~0\ mr. K. Ramdhan %-J- advocoat en procureur ^stfr ^^* Reeds eerder heeft Uw Afdeling uitgemaakt, dat bij een staandehouding tijdens een gelegenheid en een plaats voor publiek toegankelijk, er een verslaglegging moet zijn waarin vermeld wordt of en op welke wijze aan de uitgangspunten van het vastgestelde beleid is gehouden. Zie ABRS, 4 september 2003 in zaak no. 200304675/1. Grief 2. In beroep is door belanghebbende aangevoerd, dat in het proces-verbaal van bevindingen van d.d 22 juni 2007 afkomstig van verbalisant Lubertus H uij zend veld vermeld staat, dat de actie op 16 juni 2007 in het aangevangen zou zijn om 01.30 uur en volgens processtuk 3 zou belanghebbende op 16 juni 2007 om 01.30 uur staande gehouden zijn. Belanghebbende heeft aangevoerd dat dit niet klopte en dat de actie was begonnen om 24.50 uur. terwijl hij pas om 06.15 uur was overgebracht naar het Cellencomplex Schiphol. Om de afstand tussen het en het Cellencomplex Schiphol te overbruggen was hoogstens een half uur nodig en meer niet Belanghebbende is volgens zijn zeggen tegen 04 J0 uur staande gehouden. De vaststelling van de tijd van staandehouding van belanghebbende is van belang om te kunnen beoordelen hoe lang hij van zijn vrijheid beroofd is geweest in het voordat hij staande gehouden werd in het kader van de Vw 2000. Hierop is door de rechtbank niet geoordeeld, althans blijkt daarvan niet uit de overwegingen waarop de uitspraak berust De rechtbank heef) derhalve niet, althans niet voldoende gemotiveerd beslist op de door belanghebbende aangevoerde gronden en heeft dus uitspraak gedaan in strijd met artikel 8:69 althans met art 8:77 Awb. Voorts ontbeert de uitspraak met betrekking tot het moment van de staandehouding feitelijke grondslag. Grief 3. In beroep is door belanghebbende aangevoerd, dat de politie in de nacht van 16 juni 2007 tijdens de inval in het beide toegangsdeuren van het pand door mankracht en honden had geblokkeerd en iedereen gesommeerd het pand niet te verlaten. De inval was begonnen om 24.50 uur, terwijl belanghebbende pas om 4.30 uur was staande gehouden. Belanghebbende heeft bij de rechtbank gesteld, dat de vrijheidsbeneming van belanghebbende 4 SOO"d XiB SB**ST9 030 eS=8T L002-L0-OT mr. K. Ramdhan *— l advocaat en procureur gedurende de tijd tussen 24.30 uur en 04.30 uur op 16 juni 2007 onrechtmatig was. ue vrijheidsontneming had plaatsgevonden in het kader van Vw 2000. Echter, artikel 50 Vw 2000 laat een dergelijk vrijheidsbeneming voorafgaand aan de staandehouding niet toe. Gelet op het feit dat belanghebbende toch voorafgaand aan de staandehouding onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest, is de daaropvolgende staandehouding ook onrechtmatig. Voorts was er sprake van misbruik van bevoegdheid, nu belanghebbende zonder recht of titel beroofd is geweest van zijn vrijheid op 16 juni 2007 tussen 24.50 uur en 04.30 uur op. Kortom, volgens belanghebbende was ook sprake van schending van artikel 5 jo art 8 en 18 EVRM. Hierop is door de rechtbank niet geoordeeld, althans blijkt daarvan niet uit de overwegingen waarop de uitspraak berust De rechtbank heeft derhalve niet, althans niet voldoende gemotiveerd beslist op de door belanghebbende aangevoerde gronden en heed dus uitspraak gedaan in strijd met art 8:69 althans met art 8:77 Awb. Toelichting Artikel 5 EVRM steh een dubbele eis aan vrijheidsbeneming: de procedure die gevolgd wordt bij de vrijheidsbeneming moet overeenstemmen met de wet en de vrijheidsbeneming moet inhoudelijk gezien op grond van de wet zijn toegelaten. In casu was de vrijheidsbeneming voorafgaande aan de staandehouding niet in overeenstemming met de wet, in casu artikel 50 Vw2000. Grief 4. In beroep heeft belanghebbende aangevoerd, dat er sprake was van schending van het non- discriminatiebeginsel. Immers, de gehele actie was gericht op een groep waarvan van te voren vaststond, dat de bij de groep behorende personen Afrikanen waren, met name Nigerianen. Er was geen enkele aanwijzing, dat alle bij die groep behorende personen ook illegaal verbleven in Nederland. Er is geen onderscheid gemaakt tussen legaal en illegaal verblijvende 5 900"d 'ALS S8V*SD9 OZO CS = 8T lOOZ-LO-01 mr. K. Ramdhan advocaat en procureur Afrikanen. Een dergelijk actie valt niet te rijmen met de Vw 2000 en ook niet met grondwet of enig verdragrechtelijke bepaling. Er was eerder ook niet feitelijk vastgesteld, dat het uitsluitend door illegalen van Afrikaanse afkomst werd bezocht Op dit verweer is door de rechtbank niet geoordeeld, althans blijkt daarvan niet uit de overwegingen waarop de uitspraak berust De rechtbank beeft derhalve niet, althans niet voldoende gemotiveerd beslist op de door belanghebbende aangevoerde gronden en beeft dus uitspraak gedaan in strijd met art 8:69 althans met art 8:77 Awb. Weshalve: belanghebbende eerbiedig het verzoek doet om de beslissing van de Rechtbank Deo Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam op de hiervoor genoemde gronden en onderdelen te vernietigen, rechtdoende de bewaring onrechtmatig te verklaren, met daarbij de veroordeling van verweerder in de kosten van het geding met toekenning van een schadevergoeding aan belanghebbende voor de onrechtmatige bewaring. Amsterdam, 10 juli 2007 Cc procesvertegenwoordiging 6