Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200507995/1

Uitspraak 200507995/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AU4962
Datum uitspraak
18 oktober 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 augustus 2005, kenmerk 2005004756, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder daartoe verleende vergunning opslaan van stoffen op het buitenterrein bij haar inrichting, op het perceel [locatie], te [plaats].
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200507995/1.
Datum uitspraak: 18 oktober 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2005, kenmerk 2005004756, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder daartoe verleende vergunning opslaan van stoffen op het buitenterrein bij haar inrichting, op het perceel [locatie], te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 9 september 2005, bij de rechtbank Den Haag ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brief is door de rechtbank doorgestuurd naar de Raad van State.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 oktober 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te Den Haag en verweerder, vertegenwoordigd door T.W.P. van den Berg en L.V. Morauw, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2. Verzoekster betoogt dat binnen haar inrichting geen sprake is van een overtreding, aangezien het buitenterrein waar kokos wordt opgeslagen, net buiten de grenzen van de inrichting valt zoals deze zijn vermeld op de kaart behorend bij de vergunning van 18 februari 1986. Voorts geeft zij te kennen dat geen stofoverlast optreedt als gevolg van de opslag van kokos.

2.2.1. De last ziet op het zonder vergunning verrichten van activiteiten op het buitenterrein, waaronder de opslag van stoffen. Verzoekster heeft niet bestreden dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als onderdeel van haar bedrijfsvoering kokos op het buitenterrein werd opgeslagen. De Voorzitter overweegt dat de bij besluit van 18 februari 1986 verleende vergunning dit niet toestaat.

De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Voorzover verzoekster stelt dat legalisatie kan plaatsvinden, overweegt de Voorzitter dat niet aannemelijk is geworden dat binnen afzienbare tijd ten behoeve van de inrichting een vergunning kan worden verleend die mede betrekking heeft op het niet overkapt opslaan van stoffen op het buitenterrein. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie.

2.5. Verzoekster betoogt dat de begunstigingstermijn te kort is. Volgens haar is een langere periode nodig om de opslag op het buitenterrein op een economische verantwoorde wijze af te bouwen.

De Voorzitter overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster in juli 2005 in kennis is gesteld van het voornemen tot handhaven. Voorts is ter zitting gebleken dat de bedrijfsvoering feitelijk reeds is teruggebracht tot hetgeen is vergund bij besluit van 18 februari 1986. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat de in het bestreden besluit opgenomen begunstigingstermijn onredelijk kort is.

2.6. Verzoekster is van mening dat de dwangsom te hoog is. De dwangsom is vastgesteld op € 2.600,00 per keer dat de overtreding plaatsvindt. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 26.000,00.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder de hoogte van de dwangsom gebaseerd op de ernst van de overtreding, het exploitatievoordeel dat naar schatting zal worden behaald en de mate waarin de dwangsom prikkelt tot beëindiging van de overtreding.

Naar het oordeel van de Voorzitter valt niet in te zien dat het bedrag van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.7. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van Dam, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Dam
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2005

441.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon