Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200409748/1

Uitspraak 200409748/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AU4604
Datum uitspraak
19 oktober 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 maart 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) de aanvraag van appellante om een standplaatsvergunning voor vrijdag op het perceel [locatie] te Amersfoort afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200409748/1.
Datum uitspraak: 19 oktober 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/573 van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) de aanvraag van appellante om een standplaatsvergunning voor vrijdag op het perceel [locatie] te Amersfoort afgewezen.

Bij besluit van 16 februari 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 26 maart 1997 herroepen en aan appellante alsnog met ingang van 16 februari 2004 een standplaatsvergunning verleend.

Bij uitspraak van 21 oktober 2004, verzonden op 22 oktober 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, juridisch adviseur te Elspeet, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Boelens en mr. S.E. Eissens, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellante de gelegenheid te geven nadere stukken over te leggen.

Bij brief van 21 september 2005 heeft appellante stukken overgelegd.

Met toestemming van partijen is ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb afgezien van een nadere zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.2. Het college heeft aangevoerd dat appellante geen procesbelang meer heeft nu de gevraagde vergunning inmiddels is verleend. Appellante heeft hier tegen ingebracht dat zij in verband met de door haar begonnen schadeprocedure belang heeft bij een rechtsoordeel over de vraag op welke datum de gevraagde standplaatsvergunning had moeten ingaan. Gelet hierop heeft appellante nog steeds procesbelang bij de behandeling van het hoger beroep.

2.3. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte en op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het op grond van artikel 7:11, eerste en tweede lid, van de Awb niet tot méér was gehouden dan het primaire besluit te heroverwegen naar de feiten en omstandigheden per de datum van de beslissing op bezwaar. Zij stelt dat het college zich een oordeel had moeten vormen over de vraag of de standplaatsvergunning met terugwerkende kracht per datum van de aanvraag had moeten worden verleend. Voorts verzoekt appellante het college ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden schade.

2.3.1. De Afdeling volgt appellante niet in haar betoog. In het algemeen dient bij een beslissing op bezwaar een heroverweging plaats te vinden met inachtneming van de feiten en omstandigheden zoals die bestaan op het tijdstip van de heroverweging. In de door appellante aangevoerde stelling dat zij, met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding, belang heeft bij een besluit van het college over de vraag of ook voorafgaand aan de datum van de beslissing op bezwaar een standplaatsvergunning had moeten worden verleend, behoefde het college, mede omdat appellante niet voorafgaand aan de beslissing op bezwaar om schadevergoeding heeft verzocht, geen aanleiding te zien een uitzondering hierop te maken. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat voor het college ten tijde van de heroverweging geen aanleiding bestond om bij de beslissing op bezwaar in afwijking van de hoofdregel van artikel 7:11 van de Awb tevens te beslissen over de vraag of al eerder dan bij de beslissing op bezwaar een standplaatsvergunning aan appellante had moeten worden verleend.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat het hoger beroep ongegrond is.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Tuyll van Serooskerken
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005

290.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon