Uitspraak 200504464/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:7
- Datum uitspraak
- 14 juli 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 juli 2004 heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van Schutterij St. Cornelius op het adres Ittervoorterweg 70h te Weert, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200504464/2.
Datum uitspraak: 14 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Weert,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2004 heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van Schutterij St. Cornelius op het adres Ittervoorterweg 70h te Weert, afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2005, verzonden op 2 mei 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 23 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 23 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op op dezelfde datum, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2005, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Truijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door L. Stals, gemachtigde, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
2.3. Het verzoek om handhaving is ingegeven door de onduldbare geluidoverlast die verzoeker stelt te ondervinden ten gevolge van de schietactiviteiten binnen de inrichting. Verzoeker wijst in dit kader op een door HMB groep opgesteld akoestisch rapport, nr. 02-0432-28, van 10 oktober 2002 en op een door DvL milieu en techniek opgesteld akoestisch rapport, kenmerk JvdW\EvM\A-012088, van 29 mei 2001, waarin de geluidbelasting ter plaatse van de woning van verzoeker vanwege de schietactiviteiten in de inrichting is berekend. Volgens verzoeker blijkt uit deze rapporten onder meer dat de in de Circulaire Schietlawaai aanbevolen normen fors worden overschreden.
2.3.1. Volgens verweerder is er een besluit in voorbereiding waarbij aan de voor de inrichting geldende vergunning voorschriften worden verbonden ter beperking van de geluidhinder ten gevolge van de schietactiviteiten.
2.3.2. Onbestreden is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen geluidnormen van kracht waren met betrekking tot de schietactiviteiten binnen de inrichting. Gelet hierop was geen sprake van een overtreding op grond waarvan verweerder handhavend kon optreden. Verweerder heeft het verzoek om handhaving dan ook terecht afgewezen.
2.4. Gelet hierop wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van Dam, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Dam
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005
441.