Uitspraak 200407532/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT9267
- Datum uitspraak
- 13 juli 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 november 2002 heeft de raad van de gemeente Elburg (hierna: de raad) een verzoek van appellant om vergoeding van planschade afgewezen.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
200407532/1.
Datum uitspraak: 13 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Elburg,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juli 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Elburg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2002 heeft de raad van de gemeente Elburg (hierna: de raad) een verzoek van appellant om vergoeding van planschade afgewezen.
Bij besluit van 22 mei 2003 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juli 2004, verzonden op 30 juli 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 november 2004 heeft de raad van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2005, waar appellant in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.D. Post en A. Hut, beiden werkzaam bij de gemeente Elburg, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 26 september 2001 in zaak no. 200005612/1; AB 2001, 379), moest de raad naar aanleiding van een aanvraag als de onderhavige onderzoeken of voor appellant als redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in voor hem ongunstige zin zou veranderen.
2.2. De raad heeft op 19 november 1981 de "Beleidsnota Ruimtelijke Ordening" (hierna: de nota) vastgesteld. Daarin is het voornemen vastgelegd te komen tot uitbreiding van het bedrijventerrein Oostendorp naar gronden, gelegen tegenover het door appellant gekochte perceel.
2.3. Appellant stelt niet dat hij voor de aankoop niet bekend was met de nota, doch betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij met de thans mogelijk gemaakte uitbreiding ten tijde van de aankoop niettemin geen rekening behoefde te houden, omdat de nota op het punt van de uitbreiding van het bedrijventerrein in strijd was met het toen vigerende streekplan "Veluwe" en hij er dus van mocht uitgaan dat de beoogde uitbreiding geen doorgang zou vinden.
2.3.1. Dit betoog faalt. Dat de in de nota neergelegde gewenste ontwikkeling, naar appellant stelt, niet met het genoemde streekplan strookte, betekent niet dat appellant met die ontwikkeling geen rekening behoefde te houden. Hij mocht er niet op vertrouwen dat het streekplan niet aan de gewenste ontwikkeling zou worden aangepast. Dat dit pas in 1996 zijn beslag heeft gekregen, doet er niet aan af dat de nota in 1982 voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding gaf om in de situatie van appellant rekening te houden met de kans dat de planologische situatie voor hem in ongunstige zin zou veranderen. De rechtbank heeft dan ook terecht voorzienbaarheid in voormelde zin aangenomen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Haan
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005
27.