Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200406542/1

Uitspraak 200406542/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AV9377
Datum uitspraak
20 april 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (hierna: het college), voorzover hier van belang, een verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200406542/1.
Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heemstede, handelend onder de naam "Postzegel- en muntenhandel Hollands Glorie",

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (hierna: het college), voorzover hier van belang, een verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaarschriften van 16 april 2003, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2004, verzonden op 25 juni 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 augustus 2004, bij de Raad van State bij faxbericht ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 4 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. drs. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door R.B.M. Hermans, ambtenaar bij de gemeente Heemstede, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 8 december 2000, gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 25 april 2001, heeft het college geweigerd aan appellant vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan voor de uitbreiding van de opslag van vuurwerk.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 december 2001, voorzover thans van belang, overwogen dat de beslissing op bezwaar van 25 april 2001 onbevoegd is genomen, omdat de gemeenteraad ten tijde van het nemen van dat besluit niet in kennis was gesteld van het verzoek van appellant. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar om die reden vernietigd. De rechtbank heeft evenwel bepaald dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 25 april 2001 geheel in stand blijven, omdat het verzoek van appellant op 23 augustus 2001 alsnog aan de raad ter kennisneming is voorgelegd, de raad niet te kennen heeft gegeven krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO op de aanvraag te willen beslissen, het college de aanvraag heeft kunnen toetsen aan het door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer opgestelde interim-beleid inzake de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk en het daaruit voortvloeiende ontwerp Vuurwerkbesluit (Stcrt. 2001, nr. 40) en het college naar het oordeel van de rechtbank op grond daarvan in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2.2. Appellant heeft het college bij brieven van 1 mei 2002 en 3 juni 2002 verzocht de schade te vergoeden in verband met inkomstenderving en kosten van juridische hulp als gevolg van de handelwijze van het college met betrekking tot voornoemd verzoek om vrijstelling van de voorschriften van het bestemmingsplan voor uitbreiding van vuurwerkopslag.

2.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, zich verenigd met het standpunt van het college dat het schadeveroorzakende besluit het besluit is van het college van 25 april 2001 waarbij het besluit van 8 december 2000 is gehandhaafd en dat appellant door dit besluit, dat bij uitspraak van 28 december 2001 weliswaar is vernietigd wegens een formeel gebrek maar ten aanzien waarvan is bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven, geen schade heeft geleden. Voorts heeft de rechtbank het betoog van appellant verworpen dat het college het verzoek van appellant had moeten begrijpen als een verzoek om vergoeding van schade ten gevolge van de trage afhandeling van zijn verzoek om vrijstelling.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen - onder meer in haar uitspraak van 6 mei 1997, in zaak H01.96.0578/Q1 (JB 1997/118 en AB 1997, 229) - is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een besluit. De bestuursrechter is slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen inzake een dergelijk zogenoemd zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen inzake de gestelde schadeoorzaak zelf.

In het onderhavige geval is de gestelde schadeoorzaak een besluit over vrijstelling van de voorschriften van een bestemmingsplan, waartegen voor appellant bij de bestuursrechter een rechtsmiddel openstond. Derhalve is de beslissing van het college van 20 november 2002 op het schadeverzoek een zuiver schadebesluit, is de bestuursrechter bevoegd kennis te nemen van het beroep inzake het aan de orde zijnde zuiver schadebesluit en kon daartegen door appellant ontvankelijk bezwaar worden gemaakt.

2.5. Appellant betoogt allereerst schade te hebben geleden als gevolg van het besluit van het college van 25 april 2001. Het gaat in dit verband, naar appellant ter zitting nader heeft toegelicht, uitsluitend om schade als gevolg van de in dat besluit vervatte beslissing van het college zijn bedrijf in te delen in milieucategorie 3 als bedoeld in de bij het geldende bestemmingsplan behorende Staat van Inrichtingen, waardoor het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO gelet op het hiervoor genoemde interim-beleid en ontwerp Vuurwerkbesluit niet mogelijk was. Volgens appellant heeft het college in dit kader geen juiste informatie over de categorie-indeling verstrekt.

2.5.1. Dit betoog slaagt niet.

De rechtbank heeft in de onherroepelijke uitspraak van 28 december 2001 weliswaar overwogen dat het besluit van 25 april 2001 op gebrekkige wijze tot stand is gekomen, maar zij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven op grond van de overweging dat dat besluit inhoudelijk de rechterlijke toetsing kon doorstaan. De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak dan ook terecht in de categorie-indeling geen grond gevonden voor het oordeel dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 25 april 2001.

2.6. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank en het college zijn beroep te beperkt hebben opgevat en hebben miskend dat hij bovendien schade heeft geleden omdat het besluit van het college van 25 april 2001 niet binnen de door de wet gestelde termijn is genomen.

2.7. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college de brief van appellant van 1 mei 2002, waarin omzetverlies wordt gerelateerd aan de lange duur die met de afhandeling van het verzoek om vrijstelling was gemoeid, mede had moeten begrijpen als een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het niet tijdig beslissen op appellants verzoek om vrijstelling. Door het college is in de bestreden beslissing op bezwaar van 11 juli 2003, hoewel appellant dit aspect ook bij de behandeling van zijn bezwaar heeft gemeld en nader toegelicht, dan ook ten onrechte niet ingegaan op deze door appellant gestelde schade. De beslissing berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8. Het hoger beroep is gelet op het vorenstaande gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover deze betrekking heeft op de door appellant gestelde schade als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling van het geldende bestemmingsplan. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient in zoverre alsnog gegrond te worden verklaard. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking, voorzover daarbij niet is ingegaan op de door appellant gestelde schade als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling. De aangevallen uitspraak dient voor het overige bevestigd te worden. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 juni 2004, Awb 03-1406, voorzover deze betrekking heeft op de door appellant gestelde schade als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling van het geldende bestemmingsplan;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede van 11 juli 2003, 2003/8141, voorzover daarbij niet is ingegaan op de door appellant gestelde schade als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het overige;

VI. gelast dat de gemeente Heemstede aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 341,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groenendijk
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

164-420.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon