Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200405352/1

Uitspraak 200405352/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AT0545
Datum uitspraak
16 maart 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 22 en 23 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een kinderdagverblijf op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Eersel, kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie […], nummer […] (hierna: het kinderdagverblijf).
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200405352/1.
Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Slachthuis Eersel B.V." e.a., allen gevestigd dan wel wonend te Eersel,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 mei 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 22 en 23 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een kinderdagverblijf op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Eersel, kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie […], nummer […] (hierna: het kinderdagverblijf).

Bij besluit van 4 december 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2004, verzonden op 19 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 29 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het kinderdagverblijf is gelegen op circa 430 meter afstand van de bedrijven en woningen van appellanten.

Vast staat dat op minder dan 430 meter afstand van de bedrijven van appellanten meerdere burgerwoningen zijn gelegen en dat de afstand tot de dichtstbijzijnde burgerwoning circa 110 meter bedraagt.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3. Appellanten bestrijden het oordeel van de rechtbank dat zij bij de bestreden beslissing op bezwaar terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat het kinderdagverblijf weliswaar niet is gelegen binnen de stankcirkels van hun bedrijven, maar dat het kinderdagverblijf wel tot gevolg heeft dat de omgeving van hun bedrijven verandert waardoor een andere omgevingscategorie als bedoeld in de richtlijn "Veehouderij en stankhinder 1996" (hierna: Richtlijn) van toepassing wordt die de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijven zal beperken. De bestreden besluiten beperken de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijven voorts, aldus appellanten, omdat het kinderdagverblijf een stankgevoelig object is waarmee zij bij de beoordeling van cumulatieve stankhinder zullen worden geconfronteerd.

2.4. Appellanten beroepen zich op het wegvallen dan wel beperken van uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijven. Vooropgesteld dient te worden dat zij blijkens het verhandelde ter zitting en de stukken van het geding ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concrete plannen tot uitbreiding hadden. Zou van dergelijke plannen sprake zijn geweest dan zou daarvoor overigens reeds vanwege de nabij gelegen woning(en) in beginsel geen vergunning kunnen worden verleend, zo hebben partijen ter zitting verklaard. Van rechtstreekse betrokkenheid van de belangen van appellanten bij de thans in geding zijnde besluiten is derhalve geen sprake.

Inzake het betoog van appellanten dat de besluiten hun huidige bedrijfsvoering nadelig beïnvloeden, wordt overwogen dat zulks niet aannemelijk is gemaakt aangezien het kinderdagverblijf, gelet op de reeds bestaande situatie, geen zelfstandige factor van betekenis kan vormen bij een eventuele nadelige beïnvloeding van deze bedrijfsvoering. Ook in zoverre ontbreekt derhalve een rechtstreeks belang bij de thans in geding zijnde besluiten. In dit verband heeft het college overigens ter zitting verklaard dat aantasting van de bestaande rechten van deze bedrijven - zo daar al sprake van kan zijn - niet zal plaatsvinden vanwege het kinderdagverblijf.

Met de rechtbank moet dan ook worden geoordeeld dat het betoog van appellanten geen aanleiding geeft voor het oordeel dat zij door de besluiten van 22 en 23 juli 2003 rechtstreeks in hun belangen worden getroffen, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Sluiter
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

292.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon