Uitspraak 200500864/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AS9252
- Datum uitspraak
- 2 maart 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 december 2004, kenmerk 2004024543/SDU, heeft verweerder de door De Bioderij B.V. ingediende melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van de uitbreiding van de werktijden van haar inrichting aan de Baanhoek 186 te Sliedrecht, geaccepteerd.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200500864/1.
Datum uitspraak: 2 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2004, kenmerk 2004024543/SDU, heeft verweerder de door De Bioderij B.V. ingediende melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van de uitbreiding van de werktijden van haar inrichting aan de Baanhoek 186 te Sliedrecht, geaccepteerd.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 25 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 februari 2005, waar verzoekers, van wie [gemachtigden] in persoon en bijgestaan door mr. F.M. Schnoor, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.E.D. van Schayk, G. van Dijk en mr. W. Labee, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is De Bioderij B.V., vertegenwoordigd door W.A.M. Nijssen en drs. J.P. Schoonderbeek, gemachtigden, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:
a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en
c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.
2.2. De inrichting is een industriële bakkerij voor onder meer pannenkoeken en poffertjes. De melding van De Bioderij B.V. ziet op de wijziging van de bedrijfstijden van haar inrichting. Blijkens de bij besluit van 4 februari 2002 verleende vergunning vinden de bedrijfsactiviteiten plaats van maandag tot en met vrijdag van 05.00 uur tot 01.00 uur. Op zaterdag worden tussen 06.00 uur en 18.00 uur schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden verricht. De melding, zoals deze bij het bestreden besluit is geaccepteerd, houdt in dat de inrichting naast de reeds genoemde tijden op 12 zaterdagen per jaar in werking is van 05.00 uur tot 16.00 uur voor de productie van pannenkoeken en poffertjes en van 16.00 uur tot 24.00 uur voor schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden.
2.3. Volgens verweerder heeft de uitbreiding van de werktijden geen andere of grotere nadelige gevolgen dan die ingevolge de geldende vergunning van 4 februari 2002 zijn toegestaan. Hij baseert zich daarbij onder meer op een geurrapport van 16 december 2004, rapportnummer BIOD04C4/2 van PRA OdourNet B.V. dat is opgesteld in opdracht van De Bioderij B.V. en deel uitmaakt van de melding. In dit rapport is geconcludeerd dat de gevraagde uitbreiding van de werktijden niet zal leiden tot overschrijding van de aan de vigerende vergunning verbonden geurimmissienorm. In het geurrapport is uitgegaan van een worst-case-scenario waarbij de inrichting 6 werkdagen per week (inclusief alle zaterdagen) in werking is en de volledige productiecapaciteit wordt benut.
2.4. Verzoekers stellen dat een uitbreiding van werktijden van de inrichting niet door middel van een melding kan worden bewerkstelligd, daar hierdoor andere en grotere gevolgen optreden dan die ingevolge de geldende vergunning zijn toegestaan.
Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 11 september 2002, no. 200103472/1 (JM 2003/127) is de Voorzitter van oordeel dat dit bezwaar berust op een onjuiste opvatting over artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De in dat artikellid neergelegde meldingsregeling heeft betrekking op veranderingen van de (werking van de) inrichting die niet in overeenstemming zijn met de onderliggende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen. Mede gelet op de wetsgeschiedenis kan die verandering, zoals in dit geval, ook een uitbreiding van activiteiten ten opzichte van de onderliggende vergunning inhouden.
2.5. Verzoekers stellen stankoverlast te ondervinden vanwege de inrichting. De aan de vigerende vergunning verbonden geurimmissienorm wordt volgens verzoekers tot op heden niet nageleefd, zij vrezen dan ook dat de voorziene uitbreiding van de werktijden zal leiden tot een verdere overschrijding van deze norm. Voorts zijn zij van mening dat verweerder zich niet heeft mogen baseren op het bij de melding gevoegde geurrapport. Volgens verzoekers is dit rapport ontoereikend, daar volgens hen is uitgegaan van niet-representatieve emissies en een onjuiste emissieduur en uittreedsnelheid, zodat met dit rapport niet is aangetoond dat aan de geurnorm en de voorgeschreven uittreedsnelheid kan worden voldaan.
2.5.1. In het aan de vergunning verbonden voorschrift Q.4 moet de snelheid waarmee de gereinigde afgassen uit de uitmonding van de afvoerleiding treden ten minste 10 m/s zijn en mag deze niet meer zijn dan 15 m/s.
In het aan de vergunning verbonden voorschrift Q.6 is bepaald dat de geurimmissie vanwege de inrichting de waarde van 2 g.e./m3, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de punten zoals genoemd in het bij de vergunningaanvraag gevoegde geuronderzoek (figuur 5, bijlage 4) niet meer dan 2 procent van de tijd (98 percentiel) overschrijdt.
2.5.2. Uit de stukken blijkt dat de Milieudienst Zuid-Holland Zuid (hierna: de Milieudienst) in de afgelopen jaren herhaaldelijk klachten over geuroverlast ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting van omwonenden heeft ontvangen. In opdracht van verweerder zijn naar aanleiding van deze klachten geuronderzoeken uitgevoerd door Buro Blauw en door Witteveen en Bos; de resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in rapporten van respectievelijk 5 augustus 2003 en 23 september 2003. Uit de beide geuronderzoeken blijkt dat de in voorschrift Q.6 opgenomen geurnorm wordt overschreden. Verweerder bevestigt dat sprake is van een overschrijding in zijn brief aan omwonenden van de inrichting van 19 april 2004. In het namens De Bioderij B.V. bij de melding gevoegde geurrapport wordt uitgegaan van een uittreedsnelheid van de schoorstenen van 11,93 m/s. Uit voornoemd onderzoek van Buro Blauw en een onderzoek van de Milieudienst in samenwerking met Buro Blauw van 16 juni 2004 blijkt echter dat de in voorschrift Q.4 voorgeschreven uittreedsnelheid van de schoorstenen niet wordt nageleefd. Niet in geschil is dat een lagere uittreedsnelheid mogelijk leidt tot een grotere geurimmissie. Indien moet worden aangenomen dat de voorschriften Q.4 en Q.6 reeds in de bestaande situatie niet kunnen worden nageleefd, dan zal met de gewenste uitbreiding van de werktijden niet worden voldaan aan het in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer opgenomen criterium dat de verandering niet mag leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die ingevolge de geldende vergunning zijn toegestaan. Nu verweerder gelet op de geurrapporten van Buro Blauw en Witteveen en Bos reden had om te betwijfelen of de vergunningvoorschriften in de bestaande situatie kunnen worden nageleefd had hij naar het oordeel van de Voorzitter niet zonder nader onderzoek de uitbreiding van de werktijden mogen accepteren. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart. Hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht over de onnauwkeurigheid van geurberekeningen leidt, wat van deze stelling overigens ook zij, niet tot een andersluidend oordeel.
2.6. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Hetgeen verzoekers voor het overige hebben aangevoerd, behoeft om die reden geen bespreking.
2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht van 20 december 2004, kenmerk 2004024543/SDU, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 24,87; dit bedrag dient door de gemeente Sliedrecht aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de gemeente Sliedrecht aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Fransen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005
407.